Nederlandse en Vlaamse componisten I
|
Welkom op de pagina Nederlandse en Vlaamse componisten I. De teksten op deze pagina zijn al dan niet in bewerkte vorm afkomstig van o.a. de websites van Donemus, Wikipedia en de Leo Smit Stichting. Een aantal teksten is geschreven door Vioolschool Sillem. |
|
Cornelis (Kees) Andriessen Cornelis (Kees) Andriessen
Kees (Cornelis) Andriessen (Hilversum, 28 januari 1865 – aldaar, 22 januari 1947) is een Nederlands componist en dirigent.
Kees (Cornelis) Andriessen kreeg piano- en orgelles van zijn vader, Cornelis Andriessen (1815-1893). Zijn opleiding als componist en dirigent genoot hij bij Richard Hol en Bernard Zweers. Zijn oudere broer, Nicolaas Hendrik Andriessen, was ook componist.
In Hilversum dirigeerde hij het Toonkunstkoor en het koor van de van de plaatselijke Sint-Vituskerk. Een deel van zijn compositorische oeuvre, dat zowel
solo-, kamer-, koor- als symfonisch repertoire omvat, is in 1964 aan de Muziekbibliotheek van de Omroep aangeboden en in haar collectie opgenomen.
Werken voor strijkers
Scherzo voor viool en piano |
|
Hendrik Andriessen Hendrik Andriessen Hendrik Andriessen (Haarlem, 17 september 1892 — aldaar, 12 april 1981) Zoon van Nicolaas Hendrik Andriessen, organist en componist, en Gezina Johanna Francina Vester, schilderes. Gehuwd op 12-8-1919 met Johanna Justina Anschütz. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. Hij was de vader van de componisten Jurriaan Andriessen, Caecilia Andriessen en Louis Andriessen. Hendrik Andriessen was een Nederlands organist en componist. Hij kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, organist aan de St. Jozefkerk in Haarlem; later van de stadsorganist L. Robert. Aanvankelijk koos hij voor de muziekjournalistiek bij de Nieuwe Haarlemsche Courant, maar daarna voor studie aan het Amsterdams Conservatorium (1914). Zijn leraren waren o.a. J. de Pauw voor orgel en Bernard Zweers voor compositie. Twee jaar later behaalde hij zijn einddiploma. Intussen was hij zijn vader, die in 1913 overleed, opgevolgd aan de St. Jozefkerk. Daar kwam zijn begaafdheid als organist en improvisator al aan het licht; in zijn verdere loopbaan zou hij zich als zodanig steeds meer ontplooien. In deze jaren maakte hij kennis met de composities van Alphons Diepenbrock en al gauw ontmoette hij ook deze musicus zelf. Zowel de persoon Diepenbrock als zijn werk maakte grote indruk op Andriessen. Diepenbrocks stijl vindt men dan ook terug in sommige van Andriessens eigen composities, zoals Magna res est amor (1919). Toch is deze invloed van voorbijgaande aard geweest, vooral wat zijn kerkmuziek betreft. Van Diepenbrocks Missa uit 1890, door de componist bewerkt voor gemengd koor en orkest (Kyrie en Gloria, 1913), voltooide Andriessen de resterende onderdelen in 1968. Uit deze vroege periode van Andriessens componeren stamt ook een aantal liederen en koorstukken, waarbij hij vaak gebruik maakte van Franse teksten, o.a. Chanson (1913), L'aube spirituelle (1916), meestal geschreven voor solostem met begeleiding van piano, orgel of orkest. Daarnaast componeerde hij enige koorstukken, o.a. Veni Creator (1913), Sonnet (1917), Salve Regina (1920). Zijn affiniteit met de Franse esprit is duidelijk aanwijsbaar; in het bijzonder heeft het werk van A. Caplet en C. Franck hem beïnvloed. Als neerslag hiervan kunnen beschouwd worden: Premier Choral (1913), Deuxième Choral (1916), Troisième Choral (1920), op afstand gevolgd door Quatrième Choral (1952), alle voor orgel. Een hoogtepunt in dit Frans-georiënteerde oeuvre vormde de liederencyclus Miroir de peine (1923) voor solostem met orgel of strijkorkest. Intussen ging zijn belangstelling steeds meer uit naar de kerkmuziek. Op verrassende wijze manifesteerde hij zich op dit terrein met een heel eigen idioom en stijl, wars van het middelmatige post-Cecilianisme, een soort neo-Palestrina-imitatie. In de tweestemmige Missa in honorem sacratissimi Cordis (1919) trok hij de aandacht met een nieuwe conceptie bij het componeren van de liturgische misgezangen. Met eenvoudige middelen in zangstemmen en begeleiding riep hij een volledig nieuw klankbeeld op, dat veel meer dan gebruikelijk was recht deed aan de eigen functie van de kerkmuziek: 'Kerkmuziek is alleen die muziek, die één is met het organisme van de kerkelijke dienst.' Naast kerkmuziek bleef hij toch ook kamer- en orkestmuziek componeren. Een aantal werken voor klein ensemble, zoals de Sonate (1914) voor viool en piano, voor Violoncello en piano (1926), getuigt daarvan. Bovendien ging hem het symfonisch orkest als mogelijkheid voor composities boeien. Zijn Symphonie No. 1 en No. 2 kwamen respectievelijk in 1930 en in 1937 tot stand, terwijl hij na de oorlog No. 3 (1946) en No. 4 (1962) publiceerde. De jaren '30 bleken ook in andere opzichten in Andriessens componerende periode zeer vruchtbaar te zijn: naast de kerkmuziek, bijv. Variaties enfuga (1935) op een thema van Johann Kuhnau, en Inventionen (1937). In de kerkmuziek trok Andriessen ondertussen de lijn door die hij in 1919 met de op zienbare Missa had ingezet. Van de vele composities verdienen hier vooral vermelding zijn Missa diatonica (1935) en zijn Missa Christus Rex (l938), waarbij niet alleen de teksten van Kyrie, Gloria etc. voor twee koren met orgel getoonzet werden, maar ook de teksten voor het liturgisch feest zelf. Ook in dit opzicht wees Andriessen nieuwe wegen met andere miscomposities voor grotere of kleinere bezetting, vanuit een zelfde liturgische instelling. Door al dit scheppend en uitvoerend werk trok Andriessen de aandacht, en dit leidde tot verschillende beroepen die hij vaak naast elkaar kon uitoefenen. Van 1927 tot 1949 was hij docent in theorie en compositie aan het Conservatorium te Amsterdam en voor orgel, improvisatie en gregoriaans aan de R.K. Kerkmuziekschool te Utrecht. Tot 1934 bleef hij daarnaast de vaste organist in Haarlem om vervolgens, met pijn zijn geliefde taak in Haarlem prijsgevend, benoemd te worden tot organistdirigent aan de Utrechtse kathedraal. Van 1937 tot 1949 was hij bovendien directeur van het Conservatorium te Utrecht, daarna van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag tot 1957. Al deze beroepsbeslommeringen weerhielden hem er overigens niet van zijn compositorische arbeid, ook tijdens de oorlog en daarna, voort te zetten. Aan de Duitse bezetter moest hij, gelukkig korte tijd, ook zijn tribuut betalen: van 13 juli tot 18 december 1942 verbleef hij als gijzelaar in St. Michielsgestel. Maar in creatief opzicht werd hij daardoor niet uit het lood geslagen. Aan orgelwerken hebben wij in die tijd zijn composities Intermezzi (1943 en 1946) te danken en de grotere koorwerken Te Deum (1943), Septem Cantica Sacra (1943). Na de bevrijding bleef Andriessen een vooraanstaand componist, wiens werk ook vaak werd uitgevoerd en die veel nieuwe composities tot kort voor zijn dood produceerde. Voorbeelden hiervan zijn o.a. Wilhelmus van Nassouwe (1950), Rapsodie voor orkest, 'De zee en het land' voor spreekstem en orkest (1953), declamatorium en 'Psalm IX' voor koor en orkest (1961). Dit was des te opvallender omdat hem in 1952 ook nog de eer van een buitengewoon hoogleraarschap aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen te beurt viel en hij daarna in een door een gevarieerd studentenpubliek zeer gewaardeerde stijl colleges gaf. In zijn inaugurele rede van 1952 en in zijn afscheidscollege schonk hij aandacht aan algemene problemen van de muziek. Zo handelde de inaugurele rede over Aspecten der Nederlandse muziek (Nijmegen, 1952) en besteedde hij bij zijn afscheid aandacht aan 'De gedachtengang in de muziek' (Nijmegen, [1963]). Het is ondoenlijk hier de talrijke composities op te sommen die Andriessen na de bevrijding nog in gereedheid bracht. Bijzondere vermelding verdienen hier wellicht: Orgelwerk als Concerto (1950) en Suite (1968), zijn grote Missa ter dankzegging (1973), waarin voor koor, cantor en kerkvolk de Nederlandse liturgische teksten werden getoonzet en orkestwerken als Canzone (1971) en Chantecler (1972). Ook heeft Andriessen zich aan operawerken gewijd: Philomela (1948/1949), dat een opzienbarende uitvoering kreeg, en De Spiegel van Venetië (1964). Andriessen bestreek met zijn muzikale gaven een breed terrein, enerzijds van kerkmuziek, anderzijds van kamer- en orkestmuziek. Hij zag geen scheiding tussen deze twee gebieden. Daarvan getuigt zijn uitspraak: 'De instrumentale muziek is de jubilatie van de zang.' Naar eigen zeggen stond hij open voor het 'gegeven', de inval die hij de 'geschonken muziek' noemde. Karakteristiek voor zijn muziek is de verbinding van het contemplatief met het hymnisch element. Op de vernieuwing die Andriessen in de kerkmuziek teweegbracht werd reeds de aandacht gevestigd. Bij zijn ander werk kan men niet spreken van een bewust nieuwe tendens, maar hij componeert op zeer persoonlijke wijze in de stijl van zijn tijd en is zeker geen avant-gardist. Het orgel was zijn voorkeurinstrument en zijn orgelimprovisaties waren hoog gewaardeerd. In menig orkestwerk herkent men dan ook de invloed van het orgel als bron van inspiratie. Zijn succes bij een ruim publiek was vooral te danken aan het feit dat Andriessen voor elke situatie de juiste toon wist te treffen - of het nu een mis of een motet betrof of een symfonie of kwartet. Muzikale opschik was hem vreemd en zonder zich van zijn luisteraars afhankelijk te maken plaatst hij hen niet voor experimentele problemen. Gedurende zijn laatste levensjaren verbleef Andriessen in de serviceflat Burghave te Heemstede.
Werken voor strijkers 1914 Sonate voor viool en piano 1924 Sonatina voor altviool en piano 1926 Sonate voor cello en piano 1938 Sérénade voor fluit/viool, viool/hobo en cello/fagot
1942 Serenade voor viool en piano
1950 Suite voor viool en piano
1950 Kleine suite voor altblokfluit of viool en piano
1967 Sonate voor altviool en piano
1969 l'Indifferent voor strijkkwartet
1969 Vioolconcert 1972 Divertimento a cinque, per flauto, oboe, violino viola e violoncello
|
|
Kees Arntzen Kees Arntzen Kees Arntzen (Amsterdam, 5 september 1957) is een Nederlands componist en gitarist. Nadat hij in zijn jeugd kennis had gemaakt met de klassieke gitaar, studeerde Kees Arntzen schoolmuziek en gitaar aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, studies die hij in 1982 afrondde. Hij verhuisde nog datzelfde jaar naar Wenen, waar hij drie jaar compositie, gitaar en muziektheorie studeerde, bij resp. prof. Friedrich Cerha, prof. Karl Scheit en prof. Paul Kont. In het Weense muziekklimaat was de invloed van expressionistische componisten als Berg, Webern en Cerha nog duidelijk merkbaar; invloeden van hun twaalftoonstechniek laten zich dan ook aflezen aan Arntzens composities uit die periode. Terug in Nederland halverweg de jaren tachtig, pakte Arntzen eerst zijn studie Muziekwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam weer op en werkte vervolgens onder meer als muziekleraar, concertprogrammeur en uitvoerend musicus; na masterclasses compositie bij Daan Manneke in 1998 vond hij weer de tijd voor een regelmatige stroom composities. Werk van zijn hand werd onder meer uitgevoerd bij het Festival Aspekte te Salzburg en uitgezonden door de Oostenrijkse omroep ORF. In april 2001 werden delen van zijn compositie "Widmung" uitgevoerd door gitarist Wim Hoogewerf en opgenomen voor Radio 4. Een CD met werken voor gitaar en klavecimbel verscheen nog datzelfde jaar. Het Koor Nieuwe Muziek gaf met succes Arntzens koorwerk "HTW 1/2" in première; onder leiding van Romain Bischoff voerde het Cluster-kamerkoor in maart 2003 de composities "Fuite" en "Louenge a la Court" voor koor a capella uit. Van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst ontving Kees Arntzen hierna de opdracht tot het schrijven van een strijkkwartet ten behoeve van het Franciscus-Strijkkwartet, dat in het seizoen 2003-2004 herhaaldelijk werd uitgevoerd. Het stadsdeel Amsterdam-Zuid ondersteunde Arntzens initiatief tot het componeren van zijn kameropera "Fenomeen" over de zanger Herman Brood, die in première ging in 2003. Ten behoeve van het programma van fluitiste Eleonore Pameijer en zangeres Irene Maessen schreef Arntzen verder een liederencyclus voor fluit en zang op Italiaanse tekst, die tot klinken kwam bij de "Vrienden van het Lied." Voor zangeres Marianne Selleger schreef hij "Hebräische Balladen", met het oog op een uitvoering in de Ruïnekerk te Bergen. Het Ensemble Rosario onder leiding van Marisol Gentile gaf in mei 2006 de première van Sfumatura voor kamerorkest in Rosario (Argentinië) tijdens een Festival voor moderne muziek. Voor het Tsjechische Bennewitz-Kwartet en klarinettist Harry-Imre Dijkstra componeerde Arntzen "Kurzweil" voor hun Amerika-tournee in 2007. Recentelijk concerteerde Kees Arntzen met zijn Tucholsky-liederen samen met zangeres Henriette Schenk en pianist Paul Prenen in Berlijn, alsmede tijdens het Festival Wien Modern te Wenen. Werken (selectie)
Enkele composities
1978 Gitaarvariaties voor gitaar solo 1979 Tucholsky-liederen voor zang en piano/gitaar 1981 Onder Ons voor 2 gitaren 1983 Knipoog voor gitaar en klavecimbel 1986 HWT 1/2 voor koor a capella en percussie 1999 L’Europe changeante voor klavecimbel solo 2000 Widmung voor gitaar solo 2001 Fuite voor koor a capella 2001 Esquisses de Sylvestre voor orgel solo 2001 Sfumatura voor kamerorkest 2002 Tal mi fec’io voor strijkkwartet 2002 Dove c’è tutto voor strijkorkest 2002 Louenge à la Court voor koor a capella 2003 Fenomeen kameropera over Herman Brood 2003 Leuke Spreuken I - III voor vocaal ensemble 2005 Hebräische Balladen voor mezzo-sopraan en strijkkwartet 2006 Kurzweil voor klarinet en strijkkwartet
2009 Disfraz voor viool en piano
2009 Sonatine voor klarinet, altviool en piano |
|
Henk Badings Henk Badings Henk Badings werd geboren te Bandung (in het voormalig Nederlands Indië), op 17 januari 1907. Hij overleed te Maarheeze op 26 juni 1987.
Opleiding Hij studeerde geologie aan de Technische Hogeschool te Delft waar hij in 1931 cum laude afstudeerde. Intussen had hij zich, hoofdzakelijk autodidactisch, tot componist ontwikkeld.
Activiteiten Hij was werkzaam als assistent in de historische geologie en paleontologie aan de Technische Hogeschool in Delft. Van 1935 tot 1945 was hij als leraar en directeur verbonden aan verschillende Nederlandse conservatoria. Na 1945 heeft hij zich voornamelijk aan het componeren gewijd. In 1956 richtte hij een elektronische studio op in Eindhoven bij Philips, later doceerde hij akoestiek en informatica aan de Universiteit van Utrecht en was hij Professor aan de Musikhochschule van Stuttgart. Als gastdocent ging hij naar Australië en de Verenigde Staten.
Composities Reeds in 1930, nog voor het beëindigen van zijn studie te Delft, werd zijn eerste Symphonie door het Concertgebouworkest te Amsterdam in première gebracht. In 1932 ontstond zijn tweede en in 1934 zijn derde symfonie, die zijn eerste uitvoering beleefde tijdens het Nederlands Muziekfeest in Amsterdam. Ter gelegenheid van de Vondelherdenking schreef hij in 1937 de toneelmuziek bij Gijsbrecht van Aemstel en in 1940 componeerde hij de zesdelige Java en Poèmes op tekst van Alla Baud. In 1941 ontstond het ballet Orpheus en Eurydice in samenwerking met de choreograafdanseres Yvonne Georgie, de dichter Werumeus Buning en dirigent Arntzenius. Na 1945 wijdde hij zich in hoofdzaak aan het componeren en direct ontstonden de komische opera Liefdes Lagen en Listen (eigen tekst) en enkele muziekpedagogische werken voor het aanvangsmuziekonderwijs. Henk Badings verwierf ook bekendheid als schrijver van onder andere De hedendaagse Nederlandse Toonkunst (1936), Tonaliteitsproblemen in de nieuwe muziek (1951) en een boek over 31-toonstemming (1978). Zijn 31-toonscomposities stammen uit 1952. Vooral in de vijftiger en zestiger jaren schreef hij veel elektronische werken. In 1954 verscheen zijn eerste radiofonische opera Orestes. Daarnaast schreef hij ook andere opera's en balletten met behulp van de elektronica, waaronder Die Frau aus Andros, Asterion, Genesis, Evolutions en Martin Korda. De balletmuziek, waaronder Kaïn en Abel, verscheen in 2005 op de cd Popular Electronics (Basta 30.9141.2). Badings kreeg opdracht tot het componeren van een orkestwerk voor het eeuwfeest van de Wiener Philharmoniker, een symfonie voor het 60-jarig bestaan van Het Concertgebouworkest, een Psalmensymfonie, een opera voor het Holland Festival, een symfonie voor het Louisville Symphony Orchestra (USA), een orkestwerk voor de Norddeutsche Rundfunk, een opera voor de Zuid-Afrikaanse radio en een ouverture voor het Cork Festival (Ierland). Composities voor strijkers
Composities voor strijkers 1930 Konzert voor cello en orkest No. 1
1933 Sonate nr. 1 voor viool en piano
1935 Largo en allegro voor strijkorkest
1936 Capriccio voor viool en piano
1941 Sonate nr. 2 voor viool en piano. Opgedragen aan Jhr. Eugene Calkoen, directeur van het toenmalige Muzieklyceum.
1945 Elfenland, deel 2; kleine stukken voor kleine violisten.
1945 Kleine duetten voor 2 violen
1951 Sonate nr. 3 voor viool en piano. Opgedragen aan Paul Hindemith
1946 Air Triste voor viool en piano
1946 Aria trista e rondo giocoso voor fluit, klarinet, harp, piano en strijkkwartet
1952 Cavatina voor alt-fluit (viool) en harp 1953 Sonate voor vioolsolo nr. 2 en nr. 3
1959 Dubbelconcert voor 2 violen, Rostrum of Composers 1959 Capriccio voor viool met begeleiding van twee elektromagnetische klanksporen, samengesteld met 12 sinusgeneratoren
1962 Trio, voor viool, altviool en gitaar
1967 Sonate nr. 3 voor 2 violen
Triokosmos (1980)
Fiddler and his mate deel 1 t/m 4 |
|
Jacques Beers Jacques Beers Jacques Beers werd geboren op 2 juni 1902 te Amersfoort. Hij overleed op 15 juni 1947.
Opleiding Hij studeerde aanvankelijk te Zwolle, waar zijn vader dirigent was van het Stedelijk Orkest en leraar aan de muziekschool voor cello en blaasinstrumenten. Reeds op 12 jarige leeftijd was hij als organist werkzaam aan de R.K. Kerk te Zwolle. In 1920 behaalde hij het diploma voor piano van de Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging, waarna hij studeerde aan het Amsterdams Conservatorium. In 1923 deed hij eindexamen hoofdvak piano en in 1926 werd hem het einddiploma voor het hoofdvak muziekgeschiedenis uitgereikt. (Dit was het eerste einddiploma door het Amsterdams Conservatorium voor dit hoofdvak uitgereikt). Na de militaire dienstplicht vestigde hij zich in Parijs, waar hij compositie studeerde bij Jean Huré en Nadia Boulanger.
Activiteiten Van 1929 tot 1939 was hij cantor en organist aan de Duits Evangelische kerk in Parijs. Uit deze tijd dateren zijn belangrijkste composities. Het uitbreken van de oorlog noodzaakte hem zich weer in Nederland te vestigen. Hij werkte enige tijd als muziekleraar te Amsterdam en vervolgens als muziekregisseur bij de Nederlandse radio-omroep.
Composities voor strijkers Sonate voor viool en piano
Sonate voor cello en piano
Kleine Weihnachtskantate voor gemengd koor en strijkorkest.
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Daniël Belinfante Daniël Belinfante De suggestie onderzoek te doen naar de Nederlandse componist Daniël Belinfante (1893-1945) kwam in 2004 van een Italiaanse pianist. Duidelijker kan niet worden geïllustreerd hoezeer deze Amsterdamse componist van het muzikale toneel was verdwenen. Aanvankelijk lijkt de persoon Belinfante haast een muzikale Osewoud, de verzetsman uit Hermans’ Donkere kamer van Damokles, aan wiens werkelijke bestaan de lezer steeds meer gaat twijfelen. Gelukkig zijn de grote contouren van Belinfantes leven inmiddels zichtbaar geworden, vooral aan de hand van onderzoek in het Amsterdams Gemeentearchief. Belinfante werd in 1893 geboren in een groot Amsterdams-joods en zeer muzikaal gezin. Vader was diamantslijper en gaf de jonge Daniël zijn eerste vioollessen, die vervolgens werden overgenomen door zijn oom Sidney, die waarschijnlijk een professioneel violist was. Tevens studeerde hij piano, vermoedelijk bij Ary Belinfante. Toen Daniël in 1928 naar Blaricum verhuisde was hij inmiddels getrouwd met de zangpedagoge en componiste Martha Dekker (1900-1989), met wie hij leiding gaf aan de door hem in 1915 opgerichte Muziekschool in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Onder de docenten van deze muziekschool waren nogal wat leden van het Concertgebouworkest; Belinfante zelf en o.a. Karel Mengelberg gaven pianoles. Vanaf 1934 werd er voor amateurs en vakleerlingen ook een "Jazzklasse" aangeboden, de eerste in zijn soort. Opvallend genoeg werden ook deze lessen gegeven door leden van het Concertgebouworkest. Tijdens de oorlog dook Belinfante onder, wat hem er niet van weerhield om vanaf zijn onderduikadres in Amsterdam verzetswerk te doen. Hij huurde zelfs een woning, onder een valse naam, waarin hij onderduikers opnam. Toen hij daar op een dag berichten van de Engelse radio wilde komen doorgeven werd hij gearresteerd. Via Westerbork belandde Belinfante in Auschwitz en vandaar in Fürstengrube. Ondanks zijn sterke constitutie kwam hij uiteindelijk door een beenziekte terecht in de ziekenbarak, die bij de nadering van de Russen in januari 1945 door de Wehrmacht in brand werd gestoken. Zo kwam Belinfante vlak voor de bevrijding om het leven. Op 12 juli 1945 vond ten huize van Martha Belinfante een concert plaats, georganiseerd door de Muziekschool. Martha had de oorlog overleefd en het directeurschap van haar overleden echtgenoot overgenomen. Op het programma stonden, naast werk van Martha zelf, werken van o.a. Händel, Debussy en Ravel, maar verrassend genoeg niet van Daniël Belinfante. Voorzover we kunnen nagaan is de muziek van Belinfante na de oorlog niet meer gespeeld. Maar hoe was het voordien met uitvoeringen gesteld? In de omvangrijke collectie partituren van het Nederlands Muziek Instituut zijn veel speelaanwijzingen bijgeschreven, maar aanwijzingen over concertuitvoeringen ontbreken. Wel werd Belinfantes muziek regelmatig gespeeld op zijn muziekschool en gaf hij aan zijn betere leerlingen zijn pianomuziek als studiemateriaal. Belinfante heeft waarschijnlijk een gebrek aan respons gevoeld. Concerten kunnen de componist immers helpen eventuele correcties aan te brengen en hem stimuleren aan een volgend opus te beginnen.
Persoonlijke documenten mogen dan grotendeels verloren zijn gegaan, gelukkig bezitten we nog wel de meest essentiële nalatenschap van de componist: zijn muziek. Daarin is de invloed van de eigentijdse Franse muziek direct hoorbaar. Zo valt het frequente gebruik van bitonaliteit op, het gelijktijdige gebruik van twee verschillende toonsoorten, zoals met name veel werd toegepast door Milhaud. Ook een zekere weerbarstigheid in de klank, een veelal ostinate ritmiek en een fijnzinnig oor voor bijzondere harmonische kleuren doen aan Belinfantes Franse tijdgenoot denken.
Selectie van werken Sonatine nr. 3 (ongedateerd) piano Trio 1941 fluit, hobo en fagot Kwartet 1927 twee violen, cello en piano Concertino 1936 piano, fluit, hobo, viool, altviool, cello en contrabas Van Belinfantes kamermuziek die in de afgelopen jaren is uitgevoerd (de orkestmuziek wacht nog geheel op ontsluiting) maakt het Concertino voor piano indruk door een heldere en montere schrijfwijze. Het Kwartet voor twee violen, cello en piano is donkerder van kleur en treft door zijn dramatische kracht. Uit het uitgebreide oeuvre voor piano solo mag met name de Derde Sonatine geslaagd worden genoemd. De twee strijkkwartetten, uit 1931 en 1941, wachten nog op een uitvoering, evenals de sonates voor viool respectievelijk cello en piano. Het is aan de huidige generatie musici om het zorgvuldige muzikale selectieproces te voltooien.
Tekst: Marcel Worms
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Henriëtte Bosmans Henriëtte Bosmans Henriëtte Hilda Bosmans (6 december 1895 – 2 juli 1952) was een Nederlandse componiste en pianiste. Henriëtte Bosmans werd in Amsterdam geboren als dochter van cellist Henri Bosmans die was verbonden als solo-cellist aan het Concertgebouworkest en pianiste Sara Benedicts. Haar vader overleed toen ze één jaar oud was. Haar moeder gaf haar pianoles en vanaf haar zeventiende trad ze geregeld op in het Concertgebouw. Vanaf 1914 begon ze stukken voor piano te componeren en nam ze compositieles. Ook kreeg ze van 1921 tot 1922 orkestratieles van Cornelis Dopper. In 1919 werd voor het eerst een werk van haar, een vioolsonate, publiek uitgevoerd. Ze schreef vooral kamermuziek en na haar studie bij Dopper ook orkestmuziek; veelal met een solerende rol voor de cello. Omdat ze ernaar streefde een modernere stijl te creëren, ging ze van 1927 tot 1930 bij Willem Pijper in de leer. In 1934 verloofde ze zich met violist Francis Koene met wie ze al vaak samen gespeeld had. Toen deze het jaar daarop overleed viel Bosmans in een emotioneel gat en componeerde ze jarenlang niets meer. In 1941 werd haar door de bezetter het optreden verboden omdat ze half-joods was. Na de oorlog begon ze weer volop te componeren en te musiceren Tevens schreef ze nog voor verscheidene dagbladen en onderhield ze een correspondentie met collega Benjamin Britten. Bosmans werd in 1951 geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Helaas stierf ze het jaar daarop aan maagkanker. Ze werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Bosmans had een opmerkelijk moderne stijl, waarbij ze zich weliswaar door de muzikale voortrekkers uit die tijd liet inspireren (met name door Debussy) maar toch haar eigen weg te vinden wist. Van haar leermeester Pijper nam ze de polytonaliteit over; verder is haar muziek vooral impressionistisch, met een voorliefde voor onverwachte wendingen in maat- en toonsoort.
Composities voor strijkers 1919 Sonate voor cello en piano
1921 Trio voor piano, viool en cello
1921 Eerste celloconcert
1923 Tweede celloconcert
1923 Mélodies Françaises, symfonisch gedicht voor cello en orkest 1926 Impressions voor cello en piano
1926 Nuit Calme, voor cello en piano
1927 Strijkkwartet 1934 Concertstuk voor viool en orkest Twee voordrachtstukken voor viool en piano (opgedragen aan Felice Togni)
*Ariëtta
*Danse Orientale
Vier voordrachtstukken voor viool en piano (opgedragen aan Alexander Schmuller)
*Preludium
*Uit vervlogen tijd
*Intermezzo
*Dorpsdans
Cadenzen coor de vioolconcerten van Mozart KV 216 in G en KV 219 in A
In 1994 werd de Henriëtte Bosmansprijs ingesteld, een aanmoedigingsprijs voor Nederlandse componisten.
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Johannes Bernardus van Bree Bernardus van Bree Johannes Bernardus van Bree (Amsterdam, 29 januari 1801 – aldaar, 14 februari 1857) was een Nederlands componist, violist en dirigent. Hij werd in zijn tijd beschouwd als de meest talentvolle toonkunstenaar in Nederland. Zijn belangrijkste openbare functies waren die van dirigent van de orkesten van Felix Meritis en Caecilia in Amsterdam.
Van Bree kreeg zijn eerste vioollessen van zijn vader. Rond 1812 vertrok het gezin naar Leeuwarden, waar vader Van Bree een betrekking als muziekmeester had aangenomen. De zoon hielp zijn vader als pianostemmer en begeleider van danslessen. Rond 1815 werd hij door baron C. E. Collot d’Escury aangesteld als muziekleraar van zijn kinderen bij hem thuis te Minnertsga bij Franeker. Daarnaast speelde hij enkele malen als vioolsolist te Leeuwarden. In 1820 keerde Van Bree terug naar Amsterdam, gaf daar viool- en pianolessen en trad op als solist. Intussen ontving hij theorieles van Johan George Bertelman. Hij werd violist in het orkest van de Fransche Schouwburg; korte tijd later in dat van Felix Meritis, waar hij al gauw optrad als plaatsvervangend concertmeester en als solist. In 1827 trad hij in het huwelijk met Anna Maria Maaskamp, die echter 13 weken later stierf. In 1831 hertrouwde hij met Johanna Catharina Uitenbroek. In 1828 richtte hij een zangvereniging op waarvan hij dirigent werd. In 1830 nam hij de directiestaf over van Antoine Fodor bij Felix Meritis, destijds de belangrijkste concertinstelling van het land. Hij werd beroemd om zijn vaardigheid in het snel ontcijferen van partituren en het begeleiden van wispelturige solisten, een vaardigheid die hem goed te pas kwam bij deze instelling waar vrijwel geen ruimte was voor repeteren. Verschillende amateurorkesten kwamen ook onder zijn leiding, evenals de kerkkoren van de Franse kerk en de Mozes en Aäronkerk. Zodoende werd hij de dominerende figuur in het Amsterdamse muziekleven, vooral toen hij na de fusering van zijn zangvereniging met het toonkunstkoor in 1836 ook nog de leiding kreeg over dat koor, waarmee hij ook verschillende muziekfeesten leidde. In 1840 werd Van Bree dirigent van de stadsschouwburg, maar een jaar later werd de Nationale Opera opgeheven en legde hij zijn functie weer neer. Samen met enkele anderen had hij toen echter de Maatschappij Caecilia opgericht (januari 1841), een beroepsorkest dat tweemaal per jaar een zorgvuldig voorbereid concert gaf, dat als hoogtepunt van het Nederlandse muziekleven werd gezien. Hier werden slechts orkestwerken uitgevoerd van de grote meesters als Beethoven, Mendelssohn, Mozart, Weber en Louis Spohr; later ook Schumann. In 1838 richtte Van Bree een strijkkwartet op, waarin hij primarius werd, en hiermee maakte hij de kwartetten van Beethoven bekend. In 1848 leidde Van Bree de eerste complete uitvoering van de negende symfonie van Beethoven bij Felix Meritis, in 1853 was het de beurt aan de Missa Solemnis in de Mozes- en Aäronkerk. Hij dirigeerde in de jaren 50 ook sporadisch wat oude muziek. Hij leidde tevens de eerste uitvoeringen in Nederland van de Symphonie fantastique van Berlioz (1855) en de Faust-ouverture van Wagner (1856). In 1847 werd Van Bree lid van het bestuur van Toonkunst, in 1849/50 was hij voorzitter; in 1853 werd hij directeur van de muziekschool van Toonkunst. Hij gaf daar bovendien theorie, viool, piano en zang. Hij had herhaaldelijk met gezondheidsproblemen te kampen, en in het najaar van 1856 moest hij al zijn werkzaamheden staken. Richard Hol volgde hem op bij Toonkunst, Bunte bij Caecilia, J. M. Coenen bij Felix Meritis, H. J. J. van Bree bij Mozes- en Aäron, en Frans Coenen in de Amsterdamsche Quartetvereeniging. Van Bree werd in 1840 opgenomen in het register van honoraire leden van de Academia di Santa Cecilia te Rome. In 1842 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. [bewerken]Componist
Van Bree wordt gezien als een van de meest prominente componisten uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Zijn werken werden met waardering genoemd in binnen- en buitenland. Ten tijde van de Belgische Opstand in 1830 schreef hij een aantal patriottische liederen die hem de titel 'nationaal componist' opleverden. Hoewel weinig van zijn composities de tand des tijds hebben doorstaan en zijn muziek na zijn dood snel in de vergetelheid is geraakt, schreef Van Bree verschillende ouvertures en symfonieën, een vioolconcert, koorwerken, de opera’s Saffo (1834) en Le Bandit (1835), het zangspel Neem u in acht (1826), strijkkwartetten, pianowerken en een zeer aantrekkelijk Allegro voor vier strijkkwartetten dat in 1845 door leden van het Caeciliaorkest voor het eerst werd uitgevoerd en vandaag de dag weer geregeld op de concertprogramma's staat. Zijn werken zijn deels op de Duitse school van Spohr en Mendelssohn, maar deels ook op de lichtere Franse stijl van Boieldieu en Adam georiënteerd.
Composities voor strijkers
Allegro voor vier strijkkwartetten
Vioolconcert
Strijkkwartetten
|
|
Sas Bunge Sas Bunge Sas Bunge werd op 9 juli 1924 te Amsterdam geboren. Hij overleed op 17 juli 1980 in Utrecht.
Opleiding
Sas Bunge kwam uit een muzikaal gezin. Na zijn gymnasiumopleiding (op 15-jarige leeftijd won hij al een z.g. ‘interscolair’ pianoconcours met een eigen compositie, geïnspireerd door een schilderij van Watteau) studeerde hij vanaf 1942 aan het Amsterdams Conservatorium bij George van Renesse en Nelly Wagenaar. Die studie werd in 1946 bekroond met de Prix d’Excellence; daarna volgde hij nog lessen bij Marguérite Long in Parijs. Naast zijn pianostudie volgde Bunge aan het conservatorium compositielessen bij Hendrik Andriessen en later nog enige tijd bij Kees van Baaren.
Activiteiten
Sas Bunge was een veelzijdige kunstenaar die als pianist, componist en publicist op velen een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Als pianist had hij in de eerste plaats affiniteit met de grote romantici (Schumann, o.m. het Carnaval); Chopin (o.m. de Ballades), Liszt (de etudes), maar ook kon hij Ravel en Debussy prachtig vertolken. Ook zette hij zich in voor Nederlandse componisten als Willem Pijper, Rudolf Escher en Frank Martin. Hij zocht en vond onbekend pianorepertoire (Alkan, Arensky, Gottschalk e.a.) en in een tijd dat het begrip ‘muziektheater’ nog nauwelijks inhoud had, bracht hij al met originele theatrale elementen opgetuigde recitals in het Amsterdamse Shaffy-theater. Naast zijn functie als hoofddocent piano aan het Utrechts Conservatorium verzorgde hij daar in de laatste jaren een interessante cursus structuuranalyse, waarin veel van zijn gaven samenkwamen.
Composities
Aanvankelijk hanteerde Bunge een palet dat voortbouwde op het impressionisme: hij geloofde heilig in de mogelijkheid dat uit het tonale systeem ‘onder de druk van voldoende talent nieuw goud kan worden gewonnen.’ Hij schreef veel liederen (op teksten van Ronsard, Louise Labé, Ben Jonson en anderen) en ontving voor zijn Ballade des Pendus (1944) op tekst van François Villon voor mezzosopraan en orkest de Johan Wagenaarprijs. Later ontving hij verschillende stipendia voor het componeren van educatieve muziek (piano-etudes voor de ontwikkeling van specifieke technische vaardigheden, maar ook composities voor kleine harpen, en, eerder al, werken voor schoolorkest en jeugdkoor). Ook schreef hij kamermuziek voor de gebruikelijke bezettingen.
Composities voor strijkers
Suite voor twee violen en piano ad. libitum
Sonatine voor viool en piano
Publicaties
Ook zijn bundel Noten lezen en de tekst bij zijn muzikale poppenspel Tierelyra getuigen van zijn veelzijdigheid.
|
|
Frans Coenen Frans Coenen
Violist en componist Fransiscus Hendrikus Coenen (Rotterdam, 26 april 1826 - Leiden, 24 januari 1904) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader Louis, die organist was van de Rotterdamse Grote of Sint-Laurenskerk en tevens vioolbouwer. Als 12-jarige maakte Frans zijn openbare debuut als violist en twee jaar later werd zijn eerste compositie uitgevoerd: een Mis die daarna nog vaker ten gehore is gebracht. Hij studeerde in Stuttgart bij Bernhardt Molique en in Brussel bij Henri Vieuxtemps. In 1843 vestigde hij zich als zelfstandig muziekleraar in Rotterdam. Als violist maakte hij met de pianisten Henri Herz en Ernst Lübeck enkele succesvolle concertreizen door de Verenigde staten, Mexico en Zuid-Amerika. In 1855, het jaar waarin hij huwde met Anna Maria van El, vestigde hij zich in Amsterdam en werd daar concertmeester van o.a. Felix Meritis, de Maatschappij Caecilia en Toonkunst. Daarnaast speelde hij veel kamermuziek, o.a. in de Amsterdamsche Quartetvereeniging waarin hij Johannes van Bree als eerste violist was opgevolgd. Vanaf 1877 richtte zijn carrière zich vooral op muziekonderwijs, toen hij directeur werd van de Muziekschool van Toonkunst in Amsterdam. Op 7-8 november 1879 gaf Frans Coenen met Willem Kes aan de piano de Nederlandse premiere van twee belangrijke werken op een soirée aan de Herengracht te Amsterdam: De eerste sonate voor viool en piano en het Vioolconcert van Brahms. In 1884 werd hij de eerste directeur van het Amsterdamsch Conservatorium dat hij in dat jaar samen met Daniël de Lange en Julius Röntgen had opgericht. Van zijn zeventigste jaar tot zijn dood leidde Coenen een teruggetrokken bestaan. Hij had de eretitel van Soloviolist van koning Willem III en was erelid van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Op zijn graf in Leiden werd in 1905 als grafmonument een kleine obelisk geplaatst van de kunstenares Thérèse van Hall.
Composities voor strijkers
Sonate voor viool en piano
Strijkkwartet
Pianotrio
|
|
Lex van Delden Lex van Delden Lex van Delden (Amsterdam, 10 september 1919 - aldaar, 1 juli 1988) is een Nederlandse componist. Hij werd geboren als Alexander Zwaap, als enig kind van onderwijzer Wolf Zwaap en diens vrouw Sara Olivier.
Lex van Delden kreeg al jong pianoles - eerst van Martha Zwaga en later van Cor de Groot. Op elfjarige leeftijd begon hij met componerenen (autodidactisch), met het op muziek zetten van gedichten van Guido Gezelle omdat een langdurige ziekte hem belette piano te spelen. Sindsdien is hij als autodidact blijven componeren. Ondanks zijn kunstzinnige begaafdheid en belangstelling (als veertienjarige begeleidde hij bijvoorbeeld de Duitse expressionistische danseres/choreografe Gertrud Leistikow, en bewoog hij zich tevens in de kring van Sem Dresden) ging hij in 1938 medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. In 1940 werd Nederland echter door de Duitsers bezet en in 1942 werd hij, als jood, gedwongen zijn studie te onderbreken. Hij zou haar nooit meer opvatten, omdat zijn hoop om neuro-chirurg te worden in de Tweede Wereldoorlog de bodem werd ingeslagen toen een in een schuilplaats exploderende carbidlamp hem het zicht in zijn linkeroog voorgoed vrijwel geheel ontnam. Hij sloot zich aan bij het ondergronds studentenverzet en werd na de oorlog voor zijn verzetswerk eervol vermeld door de president van de Verenigde Staten en het opperbevel der geallieerde strijdkrachten. In 1953 werd de naam die hij sinds de bevrijding in 1945 had gebruikt (Lex van Delden - afgeleid van zijn onderduiknaam) officieel erkend. Nog tijdens zijn studie, in 1940, maakte hij zijn debuut als componist met de liederencyclus L'amour (1939; voor sopraan, fluit, klarinet en strijktrio), geschreven op verzoek van de jonge componist/dirigent Nico Richter, die de leiding had over het studentenorkest. Toen de oorlog, tijdens welke nagenoeg zijn totale familie ten slachtoffer viel aan de Nazi-gaskamers, voorbij was, vond Van Delden bijna onmiddellijk zijn weg in het Nederlandse culturele leven, deels via de contacten die hij als lid van het verzet had gemaakt - aanvankelijk als huiscomponist/muzikaal leider van de eerste naoorlogse balletgroep, "Op Vrije Voeten", die naderhand overging in het "Scapinoballet", en vanaf 1947 tot 1982 als muziekredacteur van het dagblad "Het Parool" en publiceerde in die hoedanigheid artikelen in binnen- en buitenlandse periodieken. Tot aan zijn dood was hij voorzitter van de auteursrechtorganisatie BUMA/STEMRA en voorts bekleedde hij verscheidene andere bestuursfuncties in het muziekleven. De eerste van zijn composities waarmee hij definitief de aandacht op zich vestigde was Rubáiyát (op negen kwatrijnen van Omar Khayyám in Edward Fitzgeralds Engelse vertaling, 1948; voor gemengd koor met sopraan- en tenorsolo's, twee piano's en slagwerk), dat in 1948 werd bekroond met de Grote Muziekprijs van de Stad Amsterdam. Dit onverwacht succes werd weldra bestendigd door de toekenning van twee Eerste Prijzen door de Northern California Harpists' Association: in 1953 voor zijn Harpconcert (1951/'52) en in 1956 voor de Impromptu (1955; voor harp solo). Gedurende de jaren vijftig en zestig was Lex van Delden een der meest uitgevoerde componisten van zijn generatie. Tal van zijn composities ontstonden uit opdrachten (van onder meer de Nederlandse regering, de Gemeente Amsterdam en de radio) en werden met groot succes gespeeld door het Concertgebouworkest onder zulke befaamde dirigenten als George Szell, Charles Münch, Eduard van Beinum, Eugen Jochum, Willem van Otterloo en Bernard Haitink, en door vele andere gerenommeerde ensembles en solisten. Van Delden was Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1972) en ontving tevens de Speld van Verdienste van de Stad Amsterdam (1982), in welke plaats hij op 1 juli 1988 overleed. Uit vele van zijn werken spreekt een diep gevoelde sociale bewogenheid. Zo ontstond het orkestwerk In Memoriam (1953) onder de indruk van de grote stormramp van 1953 in Nederland, België en Engeland, en vormt het oratorium De Vogel Vrijheid (1955) een emotioneel protest tegen de slavernij, terwijl het radiofonisch oratorium Icarus (1962) de ruimtevaart als heilloos van de hand wijst, en Canto della Guerra (naar Erasmus, 1967; voor gemengd koor en orkest) een felle veroordeling van de oorlogvoering behelst. Enkele van zijn composities hebben bijbelse onderwerpen tot thema, met name Judith (1950; een balletmuziek voor fluit, klarinet, piano en strijktrio) en Adonias' Dood (naar Joost van den Vondel, 1986; voor mannenkoor en harmonieorkest). Zijn maatschappelijk engagement bleek evenzeer uit zijn bereidheid om diverse bestuurlijke functies op zich te nemen, waaronder het voorzitterschap van het Genootschap van Nederlandse Componisten (GeNeCo) en dat van de auteursrechtorganisaties Buma en Stemra. Voorts was hij onder meer bestuurslid van de International Society for Contemporary Music (I.S.C.M.) en lid van het Nederlands Comité van de International Music Council (UNESCO). Lex van Delden geloofde sterk in de voortdurende waarde der tonaliteit in de ruimste zin van het woord en gaf er de voorkeur aan om gehoor te geven aan zijn eigen spontane creatieve impulsen, waarbij hij zijn ideeën in een uniek persoonlijk idioom gestalte gaf, in plaats van zich te voegen naar de verschillende muzikale modes van het moment. Ook legde Van Delden dikwijls zin voor de reële behoeften van de concertpraktijk aan de dag. Vandaar dat men onder zijn composities zovele stukken aantreft voor instrumenten of combinaties die in de regel zelden aan bod komen, maar waarvoor door de uitvoerenden een uitbreiding van hun repertoire werd gewenst. Als hij zich al bewust beïnvloed achtte door enige voorganger, dan was het misschien door een oude meester als Jan Pieterszoon Sweelinck, wiens solide constructivisme stellig bijdroeg tot zijn eigen hoogontwikkeld vormbesef. Matthijs Vermeulen omschreef zijn orkestpalet ooit als 'okerachtig, korrelig, bronsachtig, in velerlei kleine verscheidenheden, als het ware improviserend, zonder voorbedachten rade, voor de vuist weg'. En Jan Mul heeft er op gewezen dat Van Deldens muziek getuigt van een idealistische levenswil, ongetwijfeld een gevolg van zijn traumatische ervaringen tijdens de oorlog. Zijn werken worden gekenmerkt door helderheid - hevig dramatische episoden worden afgewisseld door intens lyrische passages, waarin bijwijlen onmiskenbaar een echo van de extatische cantorzang in de synagoge hoorbaar is, nimmer met het doel om de luisteraar te overweldigen, maar integendeel om te trachten een niet-geforceerde communicatie tot stand te brengen met het publiek. De meeste van zijn vòòr en tijdens de oorlog geschreven composities, zo'n dertig in totaal, gingen in 1944 verloren bij het bombardement van Nijmegen, en het merendeel van zijn ongeveer 125 bewaard gebleven werken ontstond na de oorlog. Zijn oeuvre bestrijkt alle genres uitgezonderd opera en kerkmuziek, met onder meer (behalve de reeds genoemde titels):
Piccolo Concerto, voor 12 blazers, pauken, slagwerk en piano, orkestwerken zoals Musica Sinfonica, Bafadis en Trittico, 8 symfonieën (No. I: De Stroom - Mei 1940, voor sopraan, gemengd koor en orkest, No. II: Sinfonia Giocosa, No. III: Facetten, No. VII: Sinfonia Concertante, voor 11 blazers), concerten voor fluit, harp, piano, slagwerk, trompet, viool, 2 hobo's, 2 sopraan-saxofoons, 3 trombones (Piccola Musica Concertata), 2 strijkorkesten, elektronisch orgel en voor viool, altviool en contrabas; 3 oratoria (onder andere Anthropolis) en vele andere koorwerken (onder andere Partita Piccola, voor gemengd koor a cappella, en Dierlijke Suite, voor mannenkoor en klein fanfareorkest), kamermuziek: onder andere stukken voor piano solo en voor viool en piano, 3 strijkkwartetten, een strijkkwintet, een strijksextet, 2 pianotrio's, een saxofoonkwartet (Tomba), een koperkwintet, 2 sextetten (Judith en Sestetto per Gemelli), een nonet en vele werken voor harp (solo en in verschillende combinaties: onder andere Catena di Miniature, voor fluit en harp, en Musica Notturna a Cinque, voor 4 cello's en harp), liederen (onder andere De Goede Dood en Drie Sonnetten van Shakespeare), muziek voor ballet (onder andere Tij en Ontij) en toneel (onder andere Macbeth en Lucifer).
Composities voor strijkers
Liederencyclus L'amour (1939) voor sopraan, fluit, klarinet en strijktrio
Sonata per violino e pianoforte op. 82 (1964)
3 strijkkwartetten (1954, 1965, 1979)
Strijkkwintet
Vocalise voor cello en piano op. 29a-bis (1951)
Strijksextet (1971)
2 pianotrio's
Twee stukken voor viool en piano (1948)
Prijzen De gemeente Amsterdam verleende Van Delden in 1948 de Grote Muziekprijs voor Rubáiyát voor sopraan, tenor, gemengd koor, 2 piano's en slagwerk (1948) en ook buitenlandse onderscheidingen vielen hem ten deel; onder andere tweemaal de jaarlijkse prijs van de Northern California Harpists' Association voor resp. zijn Harpconcert (1951) en Impromptu voor harpsolo (1955).
Compact discs Een aantal orkestwerken is opgenomen op (Etcetera KTC 1156), kamermuziekwerken op (BFO A11) en (MDG 603 1317-2). Op NM Classics 92043 staat Sonate per violino e pianoforte en op een cd van het Nederlands Fluit Gezelschap zijn Catena di Miniature op. 98. De cd Complete String Quartets uitgevoerd door het Utrecht String Quartet is verschenen bij het label Dabringhaus und Grimm (MDG 603 1436-2).
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl
en op de website www.lexvandelden.nl |
|
Bernard van Dieren Bernard van Dieren Bernard Hélène Joseph van Dieren componist en muziekcriticus (Rotterdam, 27-12-1887 - Londen, 24-4-1936). Zoon van Bernard Joseph van Dieren, wijnhandelaar en levensverzekeringsagent, en Julie Françoise Adelle Labbé, modiste. Gehuwd op 28-12-1909 met Frederika Johannetta Carola Kindler. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.
Bernard van Dieren groeide op als de jongste en enige zoon in een middenstandsgezin, dat vijf kinderen telde. Hoewel hij thuis reeds vroeg met muziek in aanraking kwam - hij kreeg vioolles - zou hij er zich pas rond zijn negentiende serieus mee gaan bezighouden. Intellectueel bijzonder begaafd, maar zwak van gezondheid, verliep zijn schooltijd allesbehalve voorspoedig. In 1904 overleed zijn vader; de gewelddadige dood van zijn jongste zuster, Mies, drie jaar later, was voor hem een traumatische ervaring. Toen Van Dieren in 1908 de HBS verliet - van het eindexamen moest hij zich wegens ziekte terugtrekken -, ging hij voor zichzelf werken om weldra, zonder verdere opleiding, voor de muziek te kiezen.
In 1909 verschenen te Rotterdam de eerste proeven van Van Dierens kunnen: een Canzonetta voor viool en piano, en twee maal Drei Lieder , waarvan enkele reeds een liefde voor het harmonisch experiment verraadden. Van groot belang voor zijn muzikale ontwikkeling moet het contact met de Rotterdamse familie Kindler zijn geweest. De jongste zoon uit dit gezin, Hans, maakte na zijn debuut in 1907 snel carrière als cellist in Berlijn. Zijn zuster Frida was eerder als pianiste doorgedrongen tot F.B. Busoni's 'Meisterklasse' van 1900 in Weimar. Via haar leerde Van Dieren, waarschijnlijk in 1908, de beroemde pianist en componist kennen. Het was het begin van een vriendschap voor het leven. Niet lang daarna, in oktober 1909, volgde hij Frida, als muziekcorrespondent van onder meer het Rotterdamsch Nieuwsblad , naar Londen, waar zij kort daarna in het huwelijk traden.
De werken die gedurende de eerste jaren in Londen ontstonden, geven een geleidelijke oplossing van de tonaliteit te zien, een ontwikkeling die zich op het continent voltrok in het werk van onder anderen Busoni en A. Schönberg. Met de laatste maakte Van Dieren, die geregeld in Berlijn verkeerde, kennis in 1912. Ten opzichte van zijn veel oudere collega's in de muzikale avant-garde van die tijd wist hij niettemin met grote voortvarendheid een eigen atonale stijl te ontwikkelen. In feite was het Van Dieren die deze voor de muziek van de 20e eeuw zo cruciale vernieuwingen in Groot-Brittannië introduceerde.
Uit 1909 stamt een 'Song' aus Shelley's 'The Cenci' met ver doorgevoerde chromatiek. In de Zes schetsen voor piano uit 1910/1911 werd vervolgens in het hoog ontwikkeld pianistiek idioom van het muzikaal milieu waarin Van Dieren verkeerde het atonaal domein verkend. Vertoonden de delen van dit werk onderling nog thematische verwantschap, de in mei 1912 voltooide Toccata is een atonaal, athematisch en ametrisch essay, genoteerd zonder maataanduidingen en -strepen. Uit hetzelfde jaar dateert Van Dierens virtuoze eerste strijkkwartet, dat is opgedragen aan N. Paganini, uit wiens Caprices hij citeert. Tot de grotere werken uit deze tijd behoren het tussen 1909 en 1911 ontstane Belsazar naar H. Heine voor groot orkest en dertig bassen, de Symphonic Epilogue to P.B. Shelley's 'The Cenci' uit 1910 en de in 1914 voltooide symfonie, bijgenaamd de Chinese , voor vijf solostemmen, koor en orkest, waarvoor hij teksten gebruikte uit de in 1907 verschenen anthologie Die chinesische Flöte van H. Bethge.
De pogingen die Van Dieren in het werk stelde zijn muziek ook buiten zijn kring aan de man te brengen, bleven echter vruchteloos, hetgeen hem noopte tot een strengere vormgeving door de ontwikkeling van contrapuntische technieken. Bovendien verslechterde zijn gezondheidstoestand gaandeweg. In 1912 bleek dat hij leed aan een ongeneeslijke nierkwaal, die hem op den duur geregeld aan bed kluisterde. De hevigste pijnen, waarmee de aanvallen gepaard gingen werden met morfine bestreden. In totaal heeft hij tien operaties moeten ondergaan. De financiële positie van het gezin, die toch al grotendeels rustte op de inkomsten van Frida, raakte hierdoor steeds meer afhankelijk van de steun van vrienden.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin Van Dieren enige tijd diende bij de Britse Inlichtendienst als codespecialist, kwamen zijn muzikale contacten met het continent tijdelijk stil te liggen. De nadere confrontatie met de Britse muziekwereld verliep via de beeldhouwer J. Epstein, met wie Van Dieren in 1915 bevriend raakte. Epstein heeft, getroffen door de aanblik van de lijdende componist, zijn sculptuur The risen Christ onder meer naar hem gemodelleerd. Van Dieren droeg op zijn beurt in 1916 een zetting van drie Shakespeare-sonnetten op aan Epstein: de Diaphony voor kamerorkest en bariton, waarin hij zijn ideaal verwezenlijkte van een nieuwe, melodische polyfonie, die het jaar daarop ook in het tweede strijkkwartet werd toegepast.
In 1916 bracht Epstein Van Dieren in contact met C. Gray en Ph. Heseltine (pseudoniem van Peter Warlock), een ontmoeting die van beslissende betekenis zou zijn. De twee jonge musici, non-conformistisch en welgesteld, raakten zozeer onder de indruk van de persoon en muziek van Van Dieren, dat zij zich als leerlingen onder zijn hoede stelden. Als ware pleitbezorgers voor zijn werk organiseerden en financierden zij weldra een Van Dieren-concert, dat plaatsvond op 20 februari 1917 in de Wigmore Hall te Londen. Onder leiding van de componist, die door Heseltine aan het publiek werd gepresenteerd als de eerste werkelijke contrapuntist sinds Bach en werd vergeleken met Schönberg, gingen hier de Diaphony en de Ouverture to an imaginary comedy voor kamerorkest uit 1916 in première. Het concert leidde in de publiciteit tot een controverse, die Van Dieren nog lang zou achtervolgen.
Na de oorlog vertrok Van Dieren voor enkele jaren naar Den Haag, waar ook zijn familieleden nu woonden. Hier schreef hij in 1919 zijn derde strijkkwartet en een jaar later de monografie Epstein (Londen, 1920). De Berlijnse contacten werden weer aangehaald, toen hij in 1922 zitting nam in het comité van het Internationale Komponistengilde . In toenemende mate werd zijn werk nu uitgevoerd en uitgegeven. Op voorspraak van Busoni en F. Delius verschenen in 1926 de Zes schetsen bij Universal Edition in Wenen. Oxford University Press zou enkele jaren later, dank zij de inspanningen van Heseltine, zijn belangrijkste uitgever worden. In 1925 was Van Dieren korte tijd werkzaam bij de vestiging van Philips in Londen.
Van Dierens muzikale stijl onderging in deze naoorlogse periode veranderingen. Na het Sonetto VII of Edmund Spenser's 'Amoretti' voor tenor en elf instrumenten uit 1921 kwam het accent, mede onder invloed van zijn ziekte, op de kleinere genres te liggen. Het ideaal van een sterk ontwikkelde instrumentale en polyfone techniek bleef echter leven, vooral in de zes strijkkwartetten, die hij in totaal schreef. Wel is het harmonisch repertoire vereenvoudigd en gesystematiseerd en zijn tonale elementen gereïntegreerd. In zijn talloze liederen overheerst een sereen elegische toon. De uit 1916 stammende opera buffa The tailor werd door hem in 1930 voltooid, maar de beoogde uitvoering vond geen doorgang. Een grote schok betekende voor Van Dieren aan het eind van hetzelfde jaar de zelfmoord van Heseltine, die hem tot executeur-testamentair en erfgenaam had benoemd. In 1935, een jaar voor zijn dood, kon hij nog de eerste uitvoering bijwonen van zijn Chinese symfony door het BBC Symphony Orchestra en de leiding op zich nemen van een aan het werk van F. Liszt gewijde reeks radiouitzendingen.
Bernard van Dieren huldigde de aristocraticiteit van het kunstenaarschap en verachtte bovendien het academisme. De gespannen verhouding die er in de moderne muziekgeschiedenis bestaat tussen dit waardenpatroon enerzijds en de maatschappelijke omstandigheden anderzijds, is het hoofdthema van zijn geestige en briljant geschreven bundel Down among the dead men - and other essays (Londen, 1935). Wegens zijn universele belangstelling, uiteenlopend van natuurwetenschappelijke onderwerpen tot taal, kookkunst en revolverschieten, werd hij nog tijdens zijn leven met Leonardo da Vinci vergeleken. Tijdgenoten als Gray en Epstein, de literatoren O. en S. Sitwell, de kunsthistoricus H.E. Read, en de componist K.S. Sorabji hebben een beeld geschetst van zijn voorname voorkomen, eruditie en artistiek-technisch talent. De plaats van de letteren in zijn leven en werk is prominent: van ongeveer veertig dichters heeft Van Dieren - vaak verschillende - verzen op muziek gezet in een breed scala van vocaal- instrumentale combinaties.
Hoewel de musicoloog W.H. Mellers Gray en Heseltine nog in hun hooggestemde oordeel waren bijgevallen (Scrutiny 5 (1936/1937) 263-276), raakte Van Dieren met de dood van zijn protagonisten na de Tweede Wereldoorlog in de vergetelheid. Zijn nalatenschap, waaronder kalligrafische, soms eigenhandig ingebonden manuscripten, uitgevoerd noch uitgegeven, viel uiteen. Eind jaren zestig kwam in Groot-Brittannië het historisch onderzoek op gang. Bij de huidige stand is de plaats die het werk van Van Dieren in de muziek van zijn tijd inneemt nog onduidelijk. Aan het Nederlandse muziekleven is deze Rotterdamse componist vrijwel ongemerkt voorbijgegaan. Zijn invloed in Groot-Brittannië is zonder meer aanzienlijk geweest: in het bijzonder op zijn leerlingen Gray en Heseltine, die hem als 'the master' vereerden, en in mindere mate op A. Bliss en C. Lambert. Aangetoond kon worden dat in het contact met Busoni niet van eenzijdige beïnvloeding sprake is geweest. Van Dierens historische betekenis is wellicht gelegen in de bemiddelende rol die hij heeft gespeeld tussen de verschillende muzikale tradities in Europa
Composities voor strijkers Strijkkwartetten |
|
Sem Dresden Sem Dresden Samuel (Sem) Dresden (Amsterdam, 20 april 1881 – Den Haag, 31 juli 1957) was een Nederlands componist, muziekpedagoog, muziekcriticus en dirigent. Hij was een zoon van Marcus Dresden, commissionair in diamant, en Anna Mijerson. Dresden trouwde met de altzangeres Jacoba Catharina Adriana Dhont op 25 maart 1907. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren, onder wie de romanist en essayist Sem Dresden.
Dresden studeerde viool en piano bij Richard Hageman, viool bij Dudok en Togni, harmonie bij Roeske, contrapunt, fuga en compositie bij Bernard Zweers aan het Conservatorium van Amsterdam. In 1903 ging hij naar Berlijn en studeerde compositie en directie bij Hans Pfitzner. Na zijn terugkomst was hij van 1905 tot 1914 dirigent in Laren, Amsterdam en Tiel en leidde de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. In 1914 stichtte hij in Amsterdam de madrigaal-vereniging, een a capella-koor met negen zangeressen en zangers. Dit koor ging later op in de Haarlemse 'Motet- en Madrigaalvereniging', waarmee hij veel polyfone renaissancemuziek tot nieuw leven bracht. Daarnaast schonk hij ook veel aandacht aan het eigentijdse repertoire. Vanaf 1915 was hij lector bij verschillende projecten in Nederland en België. Samen met Daniel Ruyneman en Henri Zagwijn richtte hij in 1918 het gezelschap van moderne Nederlandse componisten op. Van 1924 tot 1937 was hij als opvolger van Julius Röntgen directeur van het Conservatorium van Amsterdam, vanwaar hij naar Den Haag vertrok om in 1937 van Johan Wagenaar de directie van het Koninklijk Conservatorium over te nemen. Omdat Dresden joods was werd hij tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen het Haagse conservatorium te verlaten. Zijn plaats werd ingenomen door Henk Badings, die zich daarover bij de naoorlogse zuivering moest verantwoorden. Dresden componeerde veel gedurende die periode. Na de bevrijding kon hij zijn functie aan het Koninklijk Conservatorium vanaf 1945 weer uitoefenen en wel tot zijn pensionering in 1949. Het is echter voor Dresden karakteristiek dat hij zich in de daaropvolgende jaren zeer actief heeft beziggehouden met de stichting Jeugd en Muziek (hij was directeur van 1948 tot 1953), waarvoor hij regelmatig voordrachten hield. Voorts hield Dresden voordrachten in onder andere de Verenigde Staten (1947) over de Nederlandse componisten van zijn tijd. Hij is voorzitter geweest van de Rijkscommissie voor het Muziekonderwijs en van de afdeling Muziek van de Raad voor de Kunst. Verder was hij bestuurslid van de Nederlandse Opera, voorzitter van het Pijperfonds en lid van het Diepenbrockfonds. Als muziekcriticus van 1923 tot 1927 bij De Telegraaf heeft hij veel gedaan voor de verbreiding van de nieuwere muziek. Hij schreef een boek genaamd 'Het Muziekleven in Nederland sinds 1880'. Als componist was Dresden ondanks zijn scholing bij Zweers en Pfitzner een navolger van het Franse impressionisme. Hij stemde hierin overeen met de jonge Willem Pijper van ca. 1920, met de late Diepenbrock en met Bernhard van den Sigtenhorst Meyer, maar behield niettemin zijn eigen oorspronkelijkheid. Door zijn positie in het Nederlandse muziekleven en door zijn innemende en overtuigende persoonlijkheid heeft Dresden, naast Pijper en Hendrik Andriessen, op het componeren in Nederland een zeer grote invloed uitgeoefend. Zijn streven was gericht op een synthese van traditie en vernieuwing en van dit gezichtspunt uit moet zijn over het geheel genomen belangwekkende oeuvre verstaan worden.
werken voor strijkers 1936 Concerto Nr. 1, voor viool en orkest 1941-1942 Concerto Nr. 2, voor viool en orkest 1905 Sonata, voor viool en piano 1911 Sextet, voor strijkers en piano 1911-1920 Suites, voor piano en viool, No. 1-3 1918 Sonata, voor cello en piano 1924 Strijkkwartet Nr. 1 1924 Strijkkwartet Nr. 2
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Will Eisma Will Eisma Will Eisma werd geboren in Soengailiat (Bangka, Indonesië) op 13 mei 1929.
Opleiding Reeds op 7-jarige leeftijd begon hij viool te spelen in zijn woonplaats Muntok. Zijn eerste lessen kreeg hij van zijn vader, maar daarna al spoedig van een getalenteerde Indonesiër. Deze viool heeft hij gedurende de gehele oorlogstijd bij zich kunnen houden in het Japanse interneringskamp te Bandoeng. Daar ontstonden vanaf 1942 zijn eerste composities voor één en twee violen, en voor viool en piano. In 1946 kwam hij naar Nederland en begon hij zijn muziekstudie aan het Conservatorium te Rotterdam. Hij studeerde viool bij Jewsey Wulf en Oskar Back. In 1952 behaalde hij zijn solodiploma. Inmiddels volgde hij compositielessen bij George Stam en Kees van Baaren. In 1959 zette hij zijn compositielessen voort bij Goffredo Petrassi aan de Accademia Nazionale di Santa Cecilia te Rome, alwaar hij in 1961 het Diploma di Studi Superiori behaalde met het Concerto per due violini. Samen met de violiste Lilia Beretti gaf hij de eerste uitvoering met het Orchestra di Sante Cecilia te Rome in juni 1961. Later studeerde hij aan het Instituut voor Sonologie in Utrecht bij Gottfried Michael Koenig en Frits Weiland.
Activiteiten Als violist werkte Eisma bij de Omroeporkesten en als solist heeft hij zich toegelegd op de uitvoering van hedendaagse muziek. Sedert 1973 heeft Eisma zijn eigen studio voor elektronische muziek Five Roses. Samen met een aantal componisten en instrumentalisten uit Hilversum richtte hij de groep ICÉ (Electro Instrumental Group) op, waarmee hij vele premières bracht.
Composities Zijn composities vertonen vanaf 1950 een ritmisch moderne stijl, beïnvloed door Bartok en Strawinsky, zoals bijvoorbeeld het Duo (1955) voor viool en altviool, Concertstuk (1956) voor viool en piano en de Concertante Muziek (1957) voor orkest, waarvan de eerste uitvoering door Eduard Flipse in 1959 werd gegeven te Rotterdam. Door de intensieve contacten met andere componisten bij Gaudeamus te Bilthoven verandert de stijl van zijn werken die na 1956 ontstonden, zowel compositorisch-technisch als inhoudelijk, geleidelijk in een min of meer seriële schrijfwijze. Vanaf 1963 gaat zijn belangstelling uit naar meer grafisch genoteerde partituren. Aan Archipel (1964) is een doctoraalstudie gewijd door Paul Kuik: De rol van de klankkleur in enkele na-oorlogse strijkkwartet composities (Universiteit van Amsterdam, december 1984). Een nieuwe periode in het componeren van Eisma wordt zichtbaar na 1967, voortkomend uit zijn werkzaamheden in de studio's voor elektronische muziek. Vanaf 1961 is hij zich gaan toeleggen op het componeren van elektronische muziek, vastgelegd op een geluidsband. Het eerste experiment was Bth.3457 gerealiseerd in 1963 in de studio van Gaudeamus te Bilthoven. In 1972 ontving Eisma een uitnodiging om te komen werken in de elektronische studio van North Texas State University in Denton, en in 1974 bij Joel Chadabe in zijn Studio SUNY te Albany (N.Y.). Een logisch vervolg op de zuiver elektronische werken op tape zijn de composities voor een instrument, of een ensemble, in combinatie met een geluidsband. Met en voor de groep ICÉ componeerde hij diverse werken, waarin live elektronica een grote rol ging spelen. Deze instrumentale bedrijvigheid leidde er toe de strak seriële schrijfwijze te verlaten om plaats te maken voor improvisatorische en aleatorische elementen. Vele van zijn werken zijn gecomponeerd voor solisten en orkesten van de Nederlandse omroep. Daarnaast werden ook veel composities in kleine bezetting voor musici van de omroep gecomponeerd. Zoals blijkt is het oeuvre van Eisma zeer gevarieerd. Een groot aantal composities die hij voor kinderen en amateur-musici schreef mag zeker niet onvermeld blijven. Compositorisch-technisch gaat hij geen experiment uit de weg: serieel, aleatorisch, grafisch. Maar niet om het experiment zelf. Voorop staat altijd de op speelvreugde gerichte, vaak concertante virtuositeit. Daarbij creëert hij een kenmerkende atmosfeer, die zijn wortels heeft in zijn jarenlange verblijf in Indonesië. Vanuit die specifieke belangstelling voor Indonesië ontstonden zijn composities voor gamelan: Liwung (1977), Suara-Suara pada waktu fajar(1985), Mawar jiwa (1992) en Uguisu (1997).
Prijzen Eisma ontving de volgende prijzen: in 1958 de Béla Bartók Prijs (Bloomington, USA) voor Concertstuk voor viool en orkest, in 1963 de Visser Neerlandia Prijs (Den Haag) voor Sonatine voor fluit, in 1972 de ISCM Prijs voor elektronische muziek (Rome) voor Newsreel Sunday en in 1976 de Cultuurprijs van de Gemeente Hilversum.
Composities voor strijkers
Concerto per due violini e orquestra (1951)
Duo voor viool en altviool (1955)
Concertstuk voor viool, piano en orkest (1956)
Sonata voor klarinet, hoorn, altviool en cello (1959)
Quintetto per archi voor 2 violen, altviool en 2 celli (1961)
Due Madrigali voor viool en piano (1962)
Archipel voor Strijkkwartet ( 1964)
Haren op Snaren - Een vioolmethode die Will Eisma schreef onder het pseudoniem William Fiedler
|
|
Tonny Eyk Tonny Eyk Tonny Eyk (pseudoniem van Teun Eikelboom) (Den Haag, 4 juli 1940) is een Nederlands componist, accordeonist, pianist, orkestleider, producer, schrijver en fanatiek fietser. In de jaren zestig speelde hij samen met zijn tweelingzuster Sjaantje in het accordeonduo Les Deux Jeateux. Tonny Eyk is onder andere bekend van de herkenningstune van Studio Sport en composities voor Koot en Bie, maar hij kreeg ook bekendheid als leider van de big band Skymasters. Eveneens was hij te zien in het kinderprogramma Klassewerk. Tonny was jurylid bij de mini-playbackshow. Hij schreef liedjes voor Kinderen voor kinderen en voor de jeugdfilms en -series van Karst van der Meulen.
Composities voor strijkers
Capriccio for strings, gecomponeerd voor het ensemble "The Fancy Fiddlers" |
|
Gerrit Jan van Eijken De vioolsonate opus 5 Gerrit Jan van Eijken (Amersfoort, 1832 - overleden 1878) studeerde aanvankelijk piano en orgel bij zijn vader Gerard en zijn broer Jan Albert. Vanaf 1851 studeerde Gerrit Jan in Leipzig en later ook in Dresden. Terug in Nederland vestigde hij zich in Utrecht waar hij in 1855 organist van de Pieterskerk en in 1858 kapelmeester van de Schutterij werd. In deze periode gaf Van Eijken als pianist en organist veel concerten. Ondanks zijn grote inzet voor het Utrechtse muziekleven lukte het Van Eijken niet er een carrière op te bouwen. Hij vertrok in 1869 naar Engeland om gaandeweg min of meer in de vergetelheid te raken. Van Eijken overleed op 46-jarige leeftijd. De composities van Gerrit Jan van Eijken werden toentertijd in de muziekpers goed ontvangen. Zo wijdde een recensent van het muziekblad Caecilia in 1856 een uitgebreide bespreking aan de vioolsonate opus 5 welke in zijn woorden “de meeste aanbeveling verdient”. |
|
Jan Felderhof Jan Felderhof Jan Reindert Adriaan Felderhof werd op 25 september 1907 in Bussum geboren. Hij overleed op 4 maart 2006 in Laren.
Opleiding Hij studeerde aan het Amsterdams Conservatorium viool bij Felice Togni en Hendrik Rijnbergen (einddiploma in 1931), compositie en theorie bij Sem Dresden (einddiploma in 1933) en aan het Utrechts Conservatorium schoolmuziek bij Chris Bos (einddiploma in 1957).
Activiteiten Van 1934 tot 1954 en van 1959 tot 1973 was Felderhof docent aan het Amsterdams Conservatorium en van 1956 tot 1967 ook aan het Utrechts Conservatorium: compositie, hoofdvak theorie, harmonie, contrapunt, solfège, algemene muziekleer, vorm en harmonische analyse, fuga, melodiebewerking en instrumentatie. Tevens was hij van 1938 tot 1944 docent viool en leider van de orkestklas aan de Amsterdamse Volksmuziekschool en van 1956 tot 1959 docent schoolmuziek aan de MMS van het Christelijk Lyceum te Haarlem. Hij was directeur van de Toonkunstmuziekschool te Bussum (1944-1954), van het Rotterdams Conservatorium en enkele muziekscholen (1954-1955) en hij was adjunctdirecteur van het Amsterdams Conservatorium van 1968 tot 1973. Daarnaast was hij bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaarsvereniging (afdeling 't Gooi) en van diverse andere verenigingen, instellingen en diverse adviescommissies. Verder was hij muziekrecensent van de Bussumsche Courant en het dagblad Trouw, dirigent en gastdirigent van verscheidene koren en orkesten en radiopresentator in onder andere de serie 'Muziek in huiselijke kring'. Als violist gaf hij diverse recitals met onder andere Johan van den Boogert, Rutger Schoute, Cor de Groot, Maurice van IJzer, Piet van Egmond, Jan en Herman Nieland en Frans Hasselaar (veelal voor de radio). Felderhof is auteur van Practische Harmonieleer (niet uitgegeven, bedoeld voor conservatoriumgebruik). Verder hield hij voordrachten voor onder andere de Wereldomroep en de Volksuniversiteit.
Composities voor strijkers Composities geschreven voor (school)orkest
5 strijkkwartetten
Aria voor viool en orgel
Sonate nr. 1 voor viool/piano
Sonate nr. 2 voor viool/piano
Sonate nr. 3 voor viool/piano (1965) opgedragen aan Herman Salomons en Maria Stroo |
|
Willen de Fesch Willem de Fesch Willem de Fesch (Alkmaar, 26 augustus 1687 - Londen, 1757) was een Nederlands componist en violist uit de Barokperiode. Zijn ouders wwaren Louis de Fesch en Johanna Maasbragt over wie wij niets weten.
Willem trouwde met Maria Anna Rosier. Haar vader Karel Rosier was een violist en vioolleraar alsook verbonden als concertmeester aan het hoforkest van de vorst van Keulen. Waarschijnlijk was De Fesch een leerling van Rosier. Tussen 1710 en 1725 was De Fesch was actief in Amsterdam waar hij inmiddels een bekende violist was geworden. Daar en in Antwerpen gaf hij veel belangrijke optredens.
In 1725 werd hij benoemd tot concertmeester van de kathedraal van Antwerpen. Hij nam deze positie over van Alphonse d'Eve wiens leerling hij een tijdlang was. Zes jaar lang bekleedde hij deze positie totdat hij werd ontslagen op grond van te ruw optreden tegen de koorknapen.
In 1731 vestigde hij zich in Londen waar hij gedurende een tijd de leiding had van het orkest van Georg Friedrich Händel. Hij was ook actief als solist, gaf les en componeerde. Zijn oeuvre omvat onder meer missen, verschillende bundels met concerti voor viool of concerti grossi die op de Italiaanse stijl van onder meer Antonio Vivaldi zijn geënt (onder meer zijn Opus II, III, V, X), sonates zoals de cellosonates Opus VIII, liederen en muziekstukken voor blokfluit, die tegenwoordig nog regelmatig worden uitgevoerd en opgenomen. In Engeland schreef hij ook twee oratoria: Judith (1733) was het tweede oratorium dat in Engeland werd gecomponeerd, een jaar na het oratorium Esther van Händel; maar de muziek ervan is verloren gegaan. Het leek er toen op dat De Fesch zich wou meten aan Händel als meester in het opkomende genre van het oratorium. Van zijn oratorium Joseph uit 1745 ontdekte de Belgische musicoloog Pieter Andriessen in 1980 een manuscript in de Royal Academy of Music in Londen. Het werk werd in 1984 voor het eerst opnieuw uitgevoerd onder leiding van Jos Swillens in Beringen en in 1987 op het zogenaamde 'Feschtival' in Alkmaar onder leiding van Jos van Immerseel. Het is ook op CD uitgebracht in een uitvoering van Musica ad Rhenum, het Nationaal Kinderkoor en Viri Cantores onder leiding van Jed Wentz.
composities voor strijkers
Zes Sonates voor viool (of Fluit/Hobo/Altviool) en Basso Continuo
Zes Sonates voor viool en Basso Continuo, Opus VI-A (Vol. 5)
Zes Sonates voor viool of fluit en Basso Continuo, Opus VI (Vol. 8)
Zes Sonates voor viool en Basso Continuo, Opus VIII-A (Vol. 10)
Zes Sonates voor 2 fluiten (of 2 violen), Opus IX (Vol. 12)
Twaalf Sonates voor 2 fluiten (of 2 violen) en Basso Continuo, Opus XII (Vol. 15)
Tien triosonates voor 2 fluiten (of 2 violen) en Basso Continuo, Opus VII (Vol. 9)
Andere werken: oratoria: Judith (1733), Joseph (1745); inwijdingsmuziek voor de Amsterdamse Schouwburg (1738); toneelmuziek: Love and Friendship (1745); zangspel The London prentice (1754); Canzonette (strofische liederen); kamermuziek; concerten. |
|
Joseph Hector FioccoJoseph-Hector Fiocco werd geboren in 1703 als achtste kind van de Venetiaanse componist Pietro Antonio Fiocco. Zijn vader, geboren in Venetië in 1650, vestigde zich te Brussel in 1682 waar hij huwde met de Brusselse Jeanne de Laetre. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren. Na de dood van zijn eerste vrouw huwde Pietro Jeanne-Françoise Deudon die hem elf kinderen schonk. Pietro was een belangrijk componist te Brussel. Hij was kapelmeester van de hertogelijke kapel en van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van de Zavel. Hij was ook mede-directeur van de Opéra du Quai du Foin. Zijn zoon Joseph-Hector werd sous-maître van de hofkapel in 1729 of 1730. De kapel stond in die periode onder leiding van zijn halfbroer Jean-Joseph, die vader Pietro opvolgde na diens dood in 1714. In 1726 huwde Joseph-Hector Marie-Caroline Dujardin die hem twee kinderen schonk. Hij verliet zijn post te Brussel om Willem de Fesch op te volgen aan de Antwerpse Kathedraal maar kwam in 1737 terug naar Brussel waar hij meester werd aan de collegiale kerk van Sint Michael en Sint Gudule. Deze post werd beschikbaar na de dood van Pierre Hercule Bréhy. Joseph-Hector behield deze betrekking tot aan zijn vroegtijdige dood op 38 jarige leeftijd in 1741. |
|
Géza Frid Géza Frid aan de piano met links en rechts de gebroeders Dick en Christiaan Bor Géza Frid (Máramarossziget, 25 januari 1904 - Beverwijk, 13 september 1989) was een Nederlands componist, dirigent en pianist van Hongaarse herkomst. Door zijn muzikale moeder werd Frid al heel vroeg met muziek in contact gebracht. Al op zesjarige leeftijd gaf hij zijn eerste concert in het openbaar. In 1912 ging hij naar Boedapest, om zijn opleiding met een studie aan de Franz Liszt Muziekacademie een degelijke basis te geven. Hij studeerde piano bij Béla Bartók en compositie bij Zoltán Kodály. Zijn examens legde hij af aan het conservatorium in Boedapest 1924. In 1926 maakte hij een grote concertreis naar Italië. In 1927 werd zijn eerste strijkkwartet in Boedapest en Londen uitgevoerd. In de volgende twee jaren maakte hij samen met de violist Zoltan Székely een succesvolle concertreis door heel Europa. In 1929 emigreerde hij naar Amsterdam. Zijn composities werden met veel succes in Frankrijk, Zwitserland, de Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd en verschaften Frid internationale faam. Gedurende de bezetting van 1940 tot 1945 door de Duitsers ging hij, net als veel andere kunstenaars in Nederland, in staking wat betreft het concertpodium. Daarnaast was hij actief in het verzet. In 1948 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. In 1948 en 1949 was hij opnieuw op concertreis in Indonesië. In totaal gaf hij er 48 concerten. Hem werd de baan als chefdirigent van het Radio Philharmonisch Orkest in Jakarta aangeboden. In het vervolg ontving hij talrijke prijzen en onderscheidingen. In 1951 ging hij opnieuw op concertreis in Indonesië en daarna naar het Koninkrijk Siam en verder naar Egypte. Er volgden verdere concertreizen naar het Verenigd Koninkrijk, een derde reis door Indonesië, Israël (1962), en door de toenmalige Sovjet-Unie in 1963, samen met de zangeres Erna Spoorenberg. In de volgende jaren stonden verdere concertreizen op het programma (wederom Israël, Turkije, Italië, Zuid- en Noord-Amerika (1965), Suriname, de Nederlandse Antillen, Venezuela, Verenigde Staten van Amerika en Canada). Van 1964 tot 1970 was hij hoofddocent voor kamermuziek aan het Utrechts Conservatorium. Zijn laatste jaren bracht hij door in een verzorgingstehuis in Bergen (Noord-Holland). Hij kwam tragisch om het leven door onachtzaamheid van het verplegend personeel, dat de temperatuur van het badwater niet had gecontroleerd. Hij overleed in het Brandwondencentrum in Beverwijk. [bewerken]Onderscheidingen
De Hongaarse regering heeft Géza Frid begiftigd met de Bartókpenning en de Kodálypenning. In 1974, op zijn zeventigste verjaardag, werd hij ook in Nederland geridderd en werd er in het Amsterdamse Concertgebouw een jubileumconcert voor hem georganiseerd, waarbij o.a. de zoon van Bartók en de weduwe van Kodály hem toespraken. [bewerken]Composities
Géza Frid was geen nieuwlichter en stond niet open voor de muzikale inzichten van de avant-garde van zijn tijd, zoals dodecafonie of serialisme. Hoewel hij door zijn jarenlange verblijf (vanaf 1929) geheel geïntegreerd was in het Nederlandse muziekleven, bleven de melodieën en ritmes van de Hongaarse volksmuziek, waardoor hij gevormd was, zijn gematigd moderne muziek beheersen. De invloed van zijn leermeesters Bartók en Kodály heeft hij nooit verloochend. [bewerken]Oeuvrelijst
Composities voor strijkers 1927 Strijkkwartet nr. 1 opus 2
1935 Romance et Allegro voor cello en orkest opus 16 1939 Strijkkwartet nr. 2 "Fugues" opus 21
1952 Concert for two violins and orchestra opus 55 (Premiere door Olof en Krebbers) 1951 Strijkkwartet nr. 3 "Fantasia Tropica" opus 30 1955 Sonate voor viool en piano opus 50 (opgedragen aan Serah van Praag)
1955 Romance voor viool en piano op. 50 (Géza Frid zegt zelf hierover: Het tweede deel uit de sonate voor viool en piano op. 50 kan ook als enkel stuk gespeeld worden. In dit geval luidt de titel: "Romance voor viool en piano") 1956 Strijkkwartet nr. 4 opus 50/a
1969 Concert for three violins and orchestra opus 78 (geschreven voor de gebroeders Dick en Christiaan Bor en Emmy Verhey) 1984 Strijkkwartet nr. 5, "Symmetrie II" opus 99 Duos voor twee violen |
|
Marius Flothuis Marius Flothuis Marius Hendrikus Flothuis (Amsterdam, 30 oktober 1914 – aldaar, 13 november 2001) was een Nederlands componist, musicoloog en muziekcriticus.
Levensloop Flothuis volgde het Vossius Gymnasium te Amsterdam en studeerde piano bij Bé Boef en Arend Koole en piano en theorie bij Hans Brandts Buys. Hij studeerde muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam bij Albert Smijers en K. Bernet Kempers. Flothuis promoveerde in 1969 op een proefschrift, dat onder meer de arrangementen van Mozarts eigen werken behandelde. Marius Flothuis werd in 1937 assistent-artistiek leider van het Concertgebouw in Amsterdam. In 1942 moest hij zijn loopbaan afbreken omdat hij weigerde te gehoorzamen aan de Duitse bezetter. Van 1946 tot 1950 was hij bibliothecaris bij de Stichting Donemus, van 1945 tot 1953 muziekrecensent van Het Vrije Volk. In 1953 trad Flothuis in dienst van het Concertgebouworkest, waarvan hij van 1955 tot 1974 als artistiek leider het muzikale beleid mede bepaalde. Daarnaast was Marius Flothuis van 1974 tot 1983 hoogleraar musicologie aan de Universiteit van Utrecht. Flothuis genoot internationale reputatie vanwege zijn studies over Mozart. Van 1980 tot 1994 was hij voorzitter van het Zentralinstitut für Mozart-Forschung te Salzburg. Hij gold als een autoriteit op het terrein van Mozarts muziek en schreef cadensen voor een aantal van diens piano- en vioolconcerten. Als componist is Flothuis grotendeels autodidact. Hij componeerde in een behoudend idioom. Aanvankelijk stond Marius Flothuis sterk onder invloed van Bertus van Lier. Pas in de jaren zestig kwam hij hiervan los en volgde hij als componist meer zijn intuïtie. In zijn ruim honderd opusnummers beleed hij openlijk zijn voorliefde voor Franse componisten als Debussy en Ravel. Zijn composities in vrijwel alle genres hebben weinig van doen met de turbulente tijden van het modernisme waar Flothuis ook als componist midden in zat. Ze spreken eerder fijnzinnig en beknopt van universele waarden, afstandelijk behaagzucht en klassiek evenwicht, zaken waar Flothuis ook in woord en geschrift voor stond. Tot het einde van zijn leven maakte Flothuis actief deel uit van het Nederlandse muziekleven.
Composities voor strijkers
Muzikaal tijdverdrijf op. 43, serie IV (1951) (zes eenvoudige stukken voor viool/piano)
Partita voor viool en piano op. 38/1 (1950)
Cadensen voor de vioolconcerten van W. A. Mozart KV 211 wn KV 216
Duettino Pastorale voor twee violen op. 23/2 (1944) |
|
Jan van Gilse Componist en dirigent Jan van Gilse
Jan Pieter Hendrik van Gilse (Rotterdam, 11 mei 1881 – Oegstgeest, 8 september 1944) was een Nederlands componist en dirigent. Hij componeerde onder andere vier symfonieën en twee opera's, waaronder Thijl. Tot 1922 was hij dirigent van hetUtrechts Stedelijk Orkest. Hij nam het initiatief tot het oprichten van de Vereniging Buma, de Nederlandse auteursrechtenorganisatie voor muziek.[1]
Jan van Gilse was de zoon van journalist en politicus Jan Albert van Gilse. Hij studeerde in Keulen en Berlijn en was leerling van onder andere Engelbert Humperdinck en Franz Wüllner.
Eerste jaren
In 1901 verwierf Van Gilse een prijs van het Beethovenhaus in Bonn voor zijn eerste symfonie; Sinfonie in F Dur. In 1909 werd hem de Michael-Beer-Preis voor zijn derde symfonie 'Erhebung' (voor orkest met sopraansolo) toegekend. Dit stelde hem in staat om enkele jaren in Rome te studeren.
In februari 1911 was hij één van de oprichters van het Genootschap van Nederlandse Componisten (GeNeCo). Hierdoor werd het mogelijk de rechten van componisten te kunnen verdedigen en ook vergoedingen uit te keren die aan de componisten ten deel kwamen. In 1913 richtte hij mede het Bureau voor Muzikale Auteursrechten (BUMA) op.
Utrecht
Hij dirigeerde eerst in Duitsland en was van 1917 tot 1922 dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (USO).
Hij had succes bij het Utrechtse publiek, maar trad af wegens een conflict met het bestuur. Het conflict ging over de vraag van Van Gilse om de componist en muziekcriticus Willem Pijper – die in het Utrechts Dagblad Van Gilses inspanningen voor het Utrechtse concertleven 'fnuikend voor het muziekleven' noemde – de toegang tot de concerten te ontzeggen. De toon van Pijpers recensies was altijd zeer onaangenaam jegens Van Gilse, die dit conflict niet kon winnen. Hij gooide, moegestreden en overspannen, in 1922 het bijltje erbij neer.
De diepere achtergrond was een langdurig meningsverschil over de bespeling van de Utrechtse concertzaal Tivoli. Van Gilse verweet het USO-bestuur een belangentegenstelling, omdat het tegelijk de zeggenschap had over de zaal (in de rol van verhuurder) en het orkest (als huurder). Willem Pijper had hierin ondubbelzinnig de kant van het bestuur gekozen. Daarnaast ontstond er in 1918 een heftige persoonlijke vete tussen Van Gilse en Pijper, die elkaar eerst wel hadden kunnen waarderen. De Frans-georiënteerde Pijper verweet Van Gilse een te Duitse gezindheid op muziekgebied. Pijpers Eerste symfonie zou door het USO worden uitgevoerd, maar in plaats daarvan gunde hij de première aan het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg.
Acht jaar later, toen hij het gevoel had enige afstand van de hele kwestie genomen te hebben, zette Van Gilse de geschiedenis van zijn Utrechtse periode op papier. Hij ging in dit autobiografisch geschrift niet over één nacht ijs: het voltooide relaas telt circa 350.000 woorden. Hij nam evenmin een blad voor de mond. Van Gilse wilde het boek uitgeven, maar dat werd hem sterk afgeraden. Het boek verscheen uiteindelijk in geredigeerde vorm in 2003. Veertig jaar eerder al had zijn weduwe Ada van Gilse-Hooijer in een boek Pijper contra Van Gilse haar visie op de zaak gegeven.
Laatste jaren
Na zijn Utrechtse periode verbleef Van Gilse weer in Duitsland, maar met het aan de macht komen van Hitler verliet hij dat land in1933. Hij speelde in de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol in het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog. Nadat hij zich anti-nazistisch had uitgelaten dreigde de bezetter hem met gevangenschap. Kort voor een Duitse inval op zijn woning in februari 1942 in Amsterdam, moest hij onderduiken. Met zijn vrouw Ada vluchtte hij van het ene naar het andere onderduikadres. Op 1 oktober 1943 executeerde de bezetter zijn jongste zoon Maarten van Gilse en op 28 maart 1944 zijn oudste zoon Janrik van Gilse , eveneens fanatieke verzetsstrijders. Op zijn laatste onderduikadres, bij collega-componist Rudolf Escher in Oegstgeest, werd Jan van Gilse ernstig ziek. Na een ziekbed van enkele maanden stierf hij op 8 september 1944. Hij was dus uit handen van de bezetter gebleven; ter bescherming van zijn nabestaanden werd hij onder een valse naam begraven.
Jan van Gilse als componist
Zijn stijl is verwant aan die van de Duitse late romantiek, behoudens enkele modernismen in de latere werken. Met name aan de voorbeelden van zijn leermeester Humperdinck, Richard Strauss en Gustav Mahler heeft zijn stijl veel te danken. In zijn kamermuziek toont hij ook enige invloed van Johannes Brahms.
Composities
Symfonieën
- Symfonie nr. 1 in F (1900-01)
- Symfonie nr. 2 in Es (1902-03, gereviseerd in 1928)
- Symfonie nr. 3 in D 'Erhebung', voor sopraan en orkest (1906-07)
- Symfonie nr. 4 in A (1915)
Overige werken
- Ouverture in c (1900)
- Sulamith, cantate voor drie solostemmen, koor en orkest, naar gedichten van prins Emil von Schönaich-Carolath (1901-02)
- Eine Lebensmesse, naar Richard Dehmel (1903-04)
- Variaties op een St.-Nicolaasliedje (1908)
- Frau Helga von Stavern, opera op eigen, Duitse tekst (1913)
- Drei Gesänge aus Rabindranath Tagores 'Gitanjali', voor sopraan en orkest (1915)
- Drei Gesänge aus Rabindranath Tagores 'Der Gärtner, voor sopraan en orkest (1923)
- Drei Tanzskizzen, voor piano en klein orkest (1926)
- Ouverture 'Prologus brevis' in F, opgedragen aan Willem Mengelberg (1928)
- Der Kreis des Lebens, cantate voor sopraan, tenor, koor en orkest (1929)
- Thijl, dramatische legende (1938-40)
Van Van Gilses werk zijn weinig opnamen bekend. Opnamen van de Treurmuziek uit zijn opera Thijl en van zijn Gitanjali-liederen door het Residentie Orkest kregen lovende kritieken. Van de complete Thijl is ooit een radio-opname gemaakt die nooit in de handel is gebracht.
- Het Viotta Ensemble en het Ebony Quartet brachten een cd uit met drie kamermuziekwerken: het Nonet uit 1916, het onvoltooide Strijkkwartet uit 1922 en het Trio voor fluit, viool en altviool uit 1927 (NM Classics 92056).
- Het Orkest van het Oosten nam met dirigent David Porcelijn de eerste en tweede symfonie op, welke op één cd in 2008 zijn uitgekomen (CPO 777 349-2).
|
|
Hugo Godron fragment uit de "Suite de cinq pieces" Hugo Godron (Amsterdam, 22 november 1900 - Zoelmond, 6 december 1971) was een Nederlands componist.
Opleiding
Godron studeerde viool aan de Muziekschool van Toonkunst in Bussum. Later had hij ook les van Oskar Back. In 1921 begon hij een studie compositie bij Sem Dresden.
Activiteiten Godron was leraar compositie en harmonieleer aan het muzieklycea van Hilversum en van Utrecht. Verder was hij van 1939 tot 1963 muziekregisseur bij de radio, aanvankelijk bij de VARA en later bij de Nederlandse Radio Unie.
Composities Godron schreef veel kamermuziek en enkele werken voor symfonieorkest. In samenwerking met de literator Max Teipe schreef hij twee radiofonische werken: Doornroosje en Assepoester. Voor piano schreef hij onder ander drie nocturnes en 24 chansonnettes.
Composities voor strijkers
Suite de cinq pieces pour violon et piano (1926) Sonatine voor 2 violen en piano (1958)
   |
|
Hugo de Groot Titelpagina van "Holidaytrip" van Hugo de Groot Hugo de Groot ('s-Hertogenbosch, 8 september 1897 - Hilversum (Laren?), 6 november 1986) was een Nederlands componist, dirigent en violist.
Op de muziekschool van 's-Hertogenbosch leerde hij al als kind trompet en viool en speelde al jong mee in het Stedelijk Orkest. Nadat hij als violist stomme films had begeleid en hiermee wat geld had verdient, studeerde hij aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Al op 18-jarige leeftijd had hij een diploma als viool-leraar. Toen hij 20 was, werd hij, na auditie te hebben gedaan, lid van het welbekende Concertgebouworkest in Amsterdam. Hier heeft hij 3 jaar gewerkt onder de leiding van dirigent Willem Mengelberg. Om meer geld te verdienen, waagde hij de sprong om dirigent te worden van het bioscoop-orkest in Amsterdam. Toen de geluidsfilm kwam, was een bioscoop-orkest echter niet meer nodig. Hij had toen het geluk dat de V.A.R.A. een dirigent zocht voor een nieuw omroep-orkest. Van 1929 tot 1940 was hij dirigent van het V.A.R.A.-omroep-orkest. Zo werd hij bekend en was hij gastdirigent bij sympfonie-orkesten in binnen- en buitenland. Tijdens de Duitse bezetting werd hij ontslagen uit zijn functie omdat hij niet bereid was onder de Duitsers te werken. Na de oorlog werd hij directeur van de afdeling muziek van de wereldomroep en was hij tevens dirigent van verscheidene Nederlandse radio-orkesten, sedert 1952 van het Promenade-orkest van de N.R.U. Voorts was hij directeur van een muziekuitgeverij en gastdirigent van diverse symfonie-orkesten. Daarna stapte hij over naar de AVRO en later naar de overkoepelende organistatie van de Nederlandse omroepverenigingen, de Nederlandse Radio Unie, als dirigent van het Promenade Orkest.
Zijn totaal aan werk bevat meer dan 1000 composities in alle mogelijke genres, o.m. illustratieve muziek voor hoorspelen en films.
In 1962 kreeg hij de Gouden Harp uitgereikt wegens zijn verdiensten voor de Nederlandse muziek.
composities voor strijkers
Holidaytrip voor viool en piano (1969) |
|
Jeff Hamburg Jeff Hamburg Jeff Hamburg (Philadelphia, 1956) is een Amerikaanse componist, woonachtig in Nederland sinds 1978. Hamburg studeerde in zijn geboorteland compositie en akoestiek aan de Universiteit van Illinois. Hij verhuisde naar Nederland om in Den Haag te studeren bij Louis Andriessen. De invloed van Andriessen op Hamburg is in zijn werken uit de jaren ’80 nog goed te horen, maar in zijn latere composities heeft Hamburg zijn eigen stijl gevonden. Dit heeft te maken met de zoektocht naar zijn eigen, joodse achtergrond en de muziek die hierbij hoort. Joodse legendes en Bijbelse verhalen zijn veelal inspiratiebronnen voor zijn muziek en Hamburg laat klanken horen die doen denken aan klezmer en Oost-Europa. Dit heeft niet alleen geleid tot muziek die dichter bij zijn eigen gevoelsleven staat, maar ook tot een bredere bijval van het publiek.
In 2002 werd aan Hamburg de ANV-Visser Neerlandia-prijs toegekend. De jury prijst zijn veelzijdig oeuvre dat "emotioneert, charmeert en verrast".
Samen met Joep Franssens en John Borstlap, richtte Jeff Hamburg in 2003 ComponistenGroep Amsterdam op. Tevens is hij sinds 2008 voorzitter van GeNeCo (Genootschap Nederlandse Componisten).
Selectie uit de composities van Jeff Hamburg
Orkestwerken
- 2007 Hear O Heavens - Give Ear, O Earth – symfonieorkest
- 2007 The Wild Waters that Roar – symfonieorkest
- 2004 Ruach - Concerto for Oboe and Orchestra
- 2003 Kumi, Ori – tenor en orkest
- 2001 Aychah – koor en orkest
- 2001 Zachor – symfonieorkest
- 2000 Concerto voor fluit en orkest
- 1998 Klezmania – kamerorkest
- 1996 A Prayer and a Dance – strijkorkest
- 1994 Zey… (Yiddish) – sopraan en orkest
- 1988 Concertino – altsaxofoon en orkest
- 1982 Symphony in Es (rev. 1994) – symfonieorkest
- 1981 Towers and Bridges – fluiten, koperblazers en contrabassen
Kamermuziek
- 2007 Jubel – hobo, harp
- 2007 Kaddish – bariton, hobo, cello, harp
- 2006 Danse Africaine – koor
- 2005 Song of Songs (Hebrew) – tenor en fluit
- 2002 String Quartet Nr 2 "Hashkivenu" – strijkkwartet
- 2002 Three Jewish Songs – sopraan, hobo, viool, cello, accordeon, slagwerk
- 1999 Jerusalem (German, Hebrew, Dutch) – sopraan, hobo, viool, altviool, cello
- 1999 Uncle Mendel’s Ukranian Blues (Yiddish) - piano w/song
- 1996 Wine, Love and Death (Hebrew text) – sopraan, cello, accordeon
- 1994 The Golem - big band
- 1991 Roses have thorns (W. Shakespeare) – koor
- 1989 Two songs from "Dance of Death” (A. Strindberg) – sopraan, bariton, cello en piano
- 1987 Ma sh'mecha – koor
Muziektheater
- 2005 Hooglied
- 2005 Thomas (naar "Het boek van alle dingen" van Guus Kuijer)
- 1998 Een Golem
- 1992 Joshe Kalb (J. Singer)
- 1992 Esther (Engels en Hebreews)
- 1990 De jongen die op reis ging om het griezelen te leren (libretto van C. Alphenaar)
- 1984 Dibboek (J. Herzberg)
|
|
Bob HanfBob Hanf (1894 - 1944)
Bob Hanf werd geboren op 25 november 1894 in Amsterdam, waar zijn ouders Joseph Hanf en Laura Romberg zich kort na hun huwelijk hadden gevestigd. De familie Hanf, geassimileerde Duitse joden, kwam oorspronkelijk uit Westfalen. Hanf groeide op in een kunstzinnige omgeving. Tot zijn dertigste bracht hij vrijwel alle vakanties door in Duitsland bij zijn oom Moritz en diens vrouw Rebecca. Dit echtpaar had veel contacten in kringen van intellectuelen en kunstenaars. Door zijn regelmatige bezoeken aan deze kunstzinnige familie kwam Hanf al op jonge leeftijd in aanraking met de modernste stromingen op het gebied van kunst, literatuur en filosofie. Bobs moeder speelde goed piano. Zijn eerste vioollessen kreeg hij in de ensembleklas van George Scager, altviolist in het Concertgebouworkest.
Bob Hanf was een veelzijdig kunstenaar: hij tekende, schilderde, schreef en was tevens violist en componist. Omdat zijn vader graag wilde dat Bob hem zou opvolgen bij het chemische bedrijf ‘N.V. Oranje’ werd hij echter naar de Technische Hogeschool in Delft gestuurd. Daar studeerde hij eerst chemie, later bouwkunde. Tijdens zijn studie tekende hij karikaturen van professoren en klasgenoten en maakte hij een groot aantal houtskooltekeningen in een expressionistische stijl, verwant aan die van Beckmann en Kirchner. Ook werd er in Delft driftig gemusiceerd; Hanf speelde regelmatig samen met de componisten Harold C. King en Ignace Lilien. In 1919 was hij medeoprichter van ‘De Coornschuer’, een pakhuis in Delft, waar concerten, lezingen en tentoonstellingen werden gehouden.
In deze periode kwam Hanf in contact met de schrijvers Hendrik Marsman, Jan Spierdijk en Simon Vestdijk. In zijn boek Zelfportret van J.F. beschrijft Marsman Hanf als volgt: "licht gebogen, ietwat vemoeid, de kraag van zijn jas omhoog, zijn vioolkist voorzichtig onder zijn arm, kwam hij de langwerpige, laaggezolderde kamer binnen aan de Voorstraat, waar wij hem al wachtten bij een gloeiende kachel." In Vestdijks boek De laatste kans (1960) komt Hanf voor onder de naam Bob Neumann. Hanf schreef zelf twee toneelstukken, drie romans en een aantal gedichten, daarbij beïnvloed door de anti-burgerlijke moraal van Wedekind en de surrealistische sfeer en het sombere wereldbeeld van Kafka.
In 1921 hield Hanf voorgoed op met studeren en betrok hij een zolderkamer in het ouderlijk huis aan de Willemsparkweg in Amsterdam. In deze tijd begon hij serieus viool te spelen en componeerde hij zijn eerste werken. Hij nam les bij Louis Zimmerman, de eerste concertmeester van het Concertgebouworkest. Hoewel hij enkele malen meespeelde in beroepsorkesten, onder andere bij de Arnhemsche Orkest Vereeniging onder leiding van Martin Spanjaard, besloot hij rond 1928 geen professionele vioolcarrière meer na te streven. Componeren paste beter bij zijn bespiegelende aard. Hij schreef verschillende werken voor viool, enkele strijkkwartetten, liederen op teksten van Rilke, Kafka en Goethe, enkele orkestwerken en een opera. Selectie van werken Tema con variazioni viool solo Vioolsonates nrs. 1, 2, en 3 viool en piano Kleine Suite viool en piano Strijkkwartet 1940 Strijkkwartetten in C groot en in D groot Nuit Phantastique tenor en strijkkwartet Strijksextet in e klein Concert in d klein viool en orkest Serenade kamerorkest Symfonie "Ituriel" symfonieorkest Leonce und Lena opera Der neue Advokat liederencyclus voor mannenstem en piano Het grootste gedeelte van Bob Hanfs manuscripten is ongedateerd. Zijn composities worden gekenmerkt door een motivische stijl, die allengs chromatischer wordt, maar binnen de tonaliteit blijft en eerder verwant is aan de Duits- Oostenrijkse traditie dan aan de Franse. In zijn liederencycli benadrukt Hanf met gevoel voor theater het absurdisme van de tekst. Hij weet altijd met vrij simpele middelen een zeer eigen muzikale sfeer neer te zetten.
In 1936 verliet Bob Hanf het ouderlijk huis om een kamer aan de Lijnbaansgracht te betrekken. In 1941 ontving hij samen met componist Robert de Roos de tweede prijs in een competitie uitgeschreven door de Stichting Rotterdam 1939. Als onderduiker in het Suikerhofje aan de Prinsengracht schreef hij onder het pseudoniem Christiaan Philippus voor de illegale Duinrosia Heraut het gedicht "Mijmeringen over de Nachtzijde des levens", het enige werk van zijn hand dat na de oorlog gepubliceerd zou worden. Op 23 april 1944 werd hij bij een inval van de SD opgepakt. Via Westerbork werd hij naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij op 30 september 1944 werd vermoord.
Tekst: Eleonore Pameijer
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Willem ten HaveWillem Ten Have (Amsterdam 1831 - Paris 1924)
geboren als zoon van to Francois Ten Have and Anna Cornelia Veelwaard was hij de jongste van zes kinderen.
Ten Have studeerde o.a. bij Charles De Bériot. Hij kocht later twee violen van De Bériot waaronder de beroemde Guarnari del Jesu "De Bériot" 1744, nu in het bezit van Ruggiero Ricci.)
Ten Have verhuisde naar Frankrijk, waar hij les gaf aan het Concervatoire Supérieure in Lyon. Hij trouwde daar met Jeanne Roger in 1868. Zij kregen samen een zoon en een dochter die later allebei musici zouden worden. Enige tijd later verhuisde Willem naar Parijs.
Ten Have componeerde ten minste veertig werken voor viool. Een van zijn laatste composities was de Serenade op.40 voor orkest, geschreven in 1922.
Het Allegro Brilliant, opgedragen aan zijn zoon Jean is waarschijnlijk zijn meest bekende werk. In 1924 stierf Willem Ten Have aan de gevolgen van een longontsteking op de leeftijd van 93 jaar.
Composities:
Viool en piano
Op. 7. Morceau de Salon
Op. 11. Boléro
Op. 12. Deux Mélodies
N° 1 Romance
N° 2 Chanson du Printemps
Op. 14. Barcarolle
Op. 17. Polonaise
Op. 19. Allegro Brillant
Op. 21. N°. 1 Lied
N°. 2 Intermezzo
Op. 24. Capriccio
Op. 26. Sérénade
Op. 27. Rêverie
Op. 28. Feuillet d'Album
Op. 29. Canzona
Op. 30. Concerto
Op. 32. Suite
N°. I. Prélude
N°. 2. Menuetto
N°. 3. Cavatine
N°. 4. Moto Perpetuo
Op. 33. 2nd Polonaise
Op. 34. Saltarelle
Op. 35. Impromptu Caprice
Op. 36. Berceuse
Violin Solo
Op.15. Études de Vélocité (books 1& 2)
Op. 31. Études-Caprices |
|
Pieter Hellendaal Pieter Hellendaal
Pieter Hellendaal (Rotterdam, 1 april 1721 - Cambridge, 19 april 1799) was een componist, organist, vioolpedagoog en violist.
Nederland en Italië
Hellendaal werd, na een muzikale opleiding door zijn vader, op tienjarige leeftijd organist van de St.Nicolaeskerk/Nicolaikerk in Utrecht. Hier bespeelde hij vanaf januari 1732, onder het toezicht van zijn vader, het Peter Gerritszoonorgel van de kerk dat uit 1479 dateert: het oudste kerkorgel van Nederland. In 1737 verhuisde de familie Hellendaal naar Amsterdam. Op vijftienjarige leeftijd begon hij, op voorspraak van de Amsterdamse stadssecretaris Mattheus Lestevenon, een studiereis naar Italië waar hij van 1737 tot en met 1743 verbleef. In de periode 1740-1742 studeerde hij in Padua bij de destijds vooraanstaande violist Giuseppe Tartini.
Na terugkeer uit Italië vestigde Hellendaal zich in Amsterdam en speelde viool in verschillende herbergen. In 1744 verkreeg hij een officiële vergunning om eigen muziek te publiceren wat resulteerde in de publicatie van twee series sonates voor viool en basso continuo. In hetzelfde jaar huwde hij de dochter van een Amsterdamse stadschirurg.
Gedurende twee jaren (1749-1751) bewoog hij zich in de universiteit van Leiden om toegang te krijgen tot muzieklievende kringen. Daar zowel als in Den Haag - onder andere aan het erfstadhouderlijke hof van Prins Willem IV en zijn muzieklievende Engelse echtgenote 'Prinsess Royal' Anna van Hannover - trad hij regelmatig op.
Engeland
Omdat het opbouwen van een muzikale loopbaan zeer moeizaam verliep, vertrok de dertigjarige Hellendaal in 1751 met zijn gezin naar Londen waar hij zich vestigde als componist, viool-virtuoos en viooldocent. Hellendaal werkte in 1754 in Londen mee aan uitvoeringen van George Frideric Handel's 'Acis and Galatea' (HWV49a/b) waarbij hij in de pauze vioolsolo's vertolkte.
Van 1760-1762 werkte hij als organist aan St. Margaret's Church in King's Lynn, Norfolk als opvolger van de musicus, muziekhistoricus en -schrijver Charles Burney. Vanaf 1762 woonde hij in Cambridge, waar hij veelvuldig concerten gaf en een lespraktijk had voor jonge violisten en muziekliefhebbers. In 1777 werd hij er benoemd tot organist van de Peterhouse Chapel. In deze stad overleed hij in 1799.
Composities
- Opus 1 - zes sonates voor viool en basso continuo (ca 1745, Amsterdam)
- Opus 2 - zes sonates voor viool en basso continuo (ca 1750, Amsterdam
- Opus 3 - Six Grans Concertos voor strijkers en basso continuo (ca 1755, Londen)
- Opus 4 - Six Solos voor viool en basso continuo (1777, Londen)
- Opus 5 - Eight Solos voor violoncello en basso continuo (ca 1780, Cambridge)
- Opus 6 - Three Grand Lessons voor klavecimbel/fortepiano, viool en violoncello (ca 1790, Londen)
- Hellendaal's Celebrated Rondo voor viool en basso continuo (ca 1790, Cambridge)
- Elf sonates voor viool en basso continuo (oorspronkelijk handschrift: Fitzwilliam Museum Cambridge)
Zoekgeraakte manuscripten
- twaalf 'Solo's' voor viool en basso continuo (ca 1778)
- zes sonates voor klavecimel en viool/fluit
- klavecimbelconcert
- vioolconcert
- ouverture
- klarinettrio
|
|
Oscar van Hemel Oscar van Hemel Oscar van Hemel (Antwerpen, 3 augustus 1892 - Hilversum, 9 juli 1981) was een Nederlands componist, violist, pianist en muziekpedagoog. Oscar van Hemel genoot zijn muzikale opleiding aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen, waar hij onder andere les kreeg van August de Boeck en Lodewijk Mortelmans. Van 1930 tot 1933 studeerde hij compositie bij Willem Pijper.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Van Hemel violist bij de Nederlandse Opera in Amsterdam. In 1918 vestigde hij zich in Bergen op Zoom, waar hij viool, piano en muziektheorie doceerde aan de Gemeentemuziekschool. Hij was van 1948 tot 1955 verbonden Brabants Conservatorium in Tilburg, waar hij les gaf in theoretische vakken en viool. In 1949 verhuisde Van Hemel met zijn gezin naar Hilversum waar hij zich voornamelijk met componeren bezighield. Naast zijn werk als componist en docent was hij een veelgevraagd jurylid bij concoursen voor harmonie- en fanfareorkesten en voor koren. Ook was hij actief als muziekrecensent bij de Gooi- en Eemlander en De Maasbode.
Composities Dr. Jos Wouters, beschreef de symfonische werken van Van Hemel als 'Een krachtige, opvallende opbouw van de thema's en een kleurrijke harmonie, die eigenlijk altijd de aantrekkingskracht hebben van een geordende tonaliteit, samen met bi- en multitonale geluidscomplexen, zijn factoren, die zijn muzikale denken beheersen.' van Hemel stond bekend om zijn kleurrijke harmonieën en omvat vijf symfonieën, acht concerten, kamermuziek (o.a. zes strijkkwartetten, schoolmuziek, strijktrio's, werken voor piano en voor blaasinstrumenten), liederen, koorwerken, opera's (Viviane, 1950 en De Prostituée, 1978), beiaardcomposities, muziek voor harmonie en fanfare en voor film en hoorspel.
Composities voor strijkers Concert nr. 1 voor viool en orkest
2e Vioolconcert Pianotrio
Strijkrio's
Pianokwartet
Zes strijkkwartetten
Klarinetkwintet Eerste sonate voor viool en piano (opgedragen aan Willem Pijper)
Tweede Sonate voor viool en piano (1945) |
|
Hans Henkemans Hans Henkemans Hans Henkemans (Den Haag, 23 december 1913 - Nieuwegein, 29 december 1995) was een Nederlands pianist, componist, muziekpedagoog en psychiater. Henkemans studeerde 1926 tot 1931 muziek in de vakken piano en compositie bij Bernhard van den Sigtenhorst Meyer en van 1933 tot 1938 bij Willem Pijper. Ook studeerde hij vanaf 1931 geneeskunde aan de Universiteit van Utrecht.
Psychiatrie In 1981 promoveerde Henkemans in de psychiatrie op het proefschrift Aspecten van de sublimatie, haar stoornissen en de therapie hiervan. Op basis van de ervaringen die hij had opgedaan in zijn praktijk als psychiater – en dan voornamelijk met musici - heeft hij het creatieve proces geanalyseerd. Elk Ik, zo stelt Henkemans, wordt tijdens de groei naar volwassenheid gefrustreerd. Die frustratie kan leiden tot een vorm van sublimatie in het kunstwerk, "een - tot het voordeel van het individu - geslaagde vorm van afweer, waarbij de, doorgaans uit de vroegste kinderjaren stammende driften omgevormd worden tot handelingen, die qua inhoud weliswaar een aanzienlijke wijziging hebben ondergaan, doch waarvan de begeleidende emoties onveranderd zijn gebleven." De sublimatie levert via een instinctief-creatief proces een kunstwerk op. Is de sublimatie echter gebaseerd op identificatie (dat wil zeggen imitatie van een ander), dan verloopt het persoonlijke afrekenen met de impuls niet optimaal, en kan een neurose of neurotisch gedrag (bijvoorbeeld agressie) het gevolg zijn.
Pianist en componist Vrij snel na de oorlog staakte hij zijn activiteiten als arts om zich geheel aan de muziek te wijden. Op 2 december 1945 debuteerde hij als pianist in het Concertgebouw te Amsterdam. Na dit eerste optreden volgde een meer dan 20 jaar durende loopbaan als concertpianist (hij was onder meer 59 maal solist in het Concertgebouw) met uitvoeringen in binnen- en buitenland. Hij speelde alle 23 pianoconcerten van Mozart voor de radio. Daarnaast nam hij het complete piano-oeuvre van Claude Debussy op. Behalve in deze 'specialismen' (Debussy en Mozart) werd hij ook gewaardeerd als vertolker van werken van o.a. Beethoven en Ravel. Hij trad met regelmaat op in talrijke Europese steden als recitalist en als solist bij vele bekende orkesten. Ook was hij een geziene gast op de festivals van o.a. Salzburg en Edinburgh. In de jaren 60 was hij docent voor compositie en instrumentatie aan het Noord-Nederlands Conservatorium te Groningen en aan het Muzieklyceum te Amsterdam gaf hij pianolessen. In 1969 - nadat hij meer dan 20 grammofoonplaaten had opgenomen - verliet hij als pianist het concertpodium en legde zich toe op de psychiatrie. Daarnaast bleef hij componeren. Als componist werd hij beïnvloed door Claude Debussy, Maurice Ravel en Willem Pijper. Tot zijn meer bekende composities mogen zijn concerten voor viool, altviool en harp worden gerekend, en ook zijn partita voor orkest. Tegenwoordig wordt zijn werk echter nog maar vrij weinig uitgevoerd.
Composities met strijkers Quintet voor harp en strijkkwartet (1931) Sonate voor cello en piano (1936) Sonate voor viool en piano (1944) Concerto voor viool en orkest (1950) Concert voor altviool en orkest (1954) Concerto voor cello en orkest (1988-1989)
|
|
Richard Hol Richard Hol Richard Hol, zoon van Cornelis Hol en Bregje Nagel, kreeg een piano-opleiding van Johan George Bertelman aan de Amsterdamse muziekschool, en werd in 1857 dirigent van het Amsterdamse toonkunstkoor. Toen in 1862 Johannes Verhulst in plaats van Hol werd gevraagd om de nieuwe volksconcerten van Toonkunst te komen leiden, vertrok Hol naar Utrecht, waar hij al snel de spil van het muziekleven werd: als opvolger van J.H. Kufferath leidde hij de 'stadsconcerten' (tot 1904), de studentenconcerten en het Toonkunstkoor. In deze tijd was hij bevriend met Jonkheer Johan Cornelis Marius van Riemsdijk, jurist en toonkunstenaar. Hol werd tevens benoemd als Dom-organist (1869-1888) en was vanaf 1875 directeur van de pas opgerichte Stedelijke Muziekschool waar hij ook als docent zang, muziektheorie en muziekgeschiedenis werkzaam was. Johan Wagenaar en Catharina van Rennes behoorden daar tot zijn leerlingen. Hol kreeg er in 1878 nog de mannenzangvereniging Caecilia in Den Haag bij. Bij Diligentia in Den Haag leidde hij vanaf 1883 enkele concerten per jaar met moderne muziek, en in 1886 volgde hij daar Johannes Verhulst op (tot 1898). Sindsdien bekleedde Hol een zeer vooraanstaande positie in in het Nederlandse muziekleven en de doorbraak in Nederland van een componist als Brahms was deels aan hem te danken. Van 1891 tot 1893 dirigeerde hij de donderdagse "klassieke concerten" in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Richard Hol werd in zijn tijd als componist gevierd, zijn talrijke werken, nog geheel in de sfeer van de Leipziger school van Mendelssohn en Schumann verraden echter geen spoor van de moderne muziek van Wagner, Liszt en Berlioz die hij als dirigent verdedigde. Sommige van zijn kinderliederen zijn lang populair gebleven. Een voorbeeld daarvan is Draaiersjongen over Michiel de Ruyter dat begint met de woorden In een blauwgeruite kiel. De tekst van het lied is geschreven door Antoon Leonard de Rop. Een ander bekende melodie van Hol is het lied Mijn Nederland dat begint met de woorden Waar de blanke top der duinen. De tekst hiervan is geschreven door P. Louwerse. Hol was tevens pianist en recensent. In die laatste hoedanigheid werkte hij voor vele bladen en hij redigeerde vanaf 1894 het tijdschrift Het Orgel. Toen in 1875 de Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging werd op- gericht, was Hol de eerste voorzitter. Hol kreeg vele officiële onderscheidingen en werd in 1878 gekozen tot corresponderend lid van de Académie française. In Den Haag werd op 2 oktober 1906 aan de Stadhouderslaan een monument onthuld ter nagedachtenis aan Richard Hol naar ontwerp van Bart van Hove. Het bestaat uit een bronzen borst- beeld op een circa drie meter hoge hardstenen sokkel. Op de sokkel is in haut-reliëf een vrouwenfiguur gebeiteld die 'De Muze, de Lier bespelend' voorstelt. In de Tweede Wereldoorlog moest het standbeeld wijken. Later kreeg het een plek aan de Groot-Hertoginnelaan.
Jacoba Brigitte Louise Hol (1886-1964), de eerste vrouwelijke hoogleraar in de fysische geografie in Nederland, was de (buitenechtelijke) dochter van Richard Hol. Haar moeder was Maria Koene.
|
|
|