Nederlandse en Vlaamse componisten I

Welkom op de pagina Nederlandse en Vlaamse componisten I. De teksten op deze pagina zijn al dan niet in bewerkte vorm afkomstig van o.a. de websites van Donemus, Wikipedia en de Leo Smit Stichting. Een aantal teksten is geschreven door Vioolschool Sillem.

Cornelis (Kees) Andriessen

Cornelis (Kees) Andriessen
Cornelis (Kees) Andriessen

Kees (Cornelis) Andriessen (Hilversum, 28 januari 1865 – aldaar, 22 januari 1947) is een Nederlands componist en dirigent.

Kees (Cornelis) Andriessen kreeg piano- en orgelles van zijn vader, Cornelis Andriessen (1815-1893). Zijn opleiding als componist en dirigent genoot hij bij Richard Hol en Bernard Zweers. Zijn oudere broer, Nicolaas Hendrik Andriessen, was ook componist.

In Hilversum dirigeerde hij het Toonkunstkoor en het koor van de van de plaatselijke Sint-Vituskerk. Een deel van zijn compositorische oeuvre, dat zowel

solo-, kamer-, koor- als symfonisch repertoire omvat, is in 1964 aan de Muziekbibliotheek van de Omroep aangeboden en in haar collectie opgenomen.

 

Werken voor strijkers

Scherzo voor viool en piano

Hendrik Andriessen

Hendrik Andriessen
Hendrik Andriessen

Hendrik Andriessen (Haarlem, 17 september 1892 — aldaar, 12 april 1981) Zoon van Nicolaas Hendrik Andriessen, organist en componist, en Gezina Johanna Francina Vester, schilderes. Gehuwd op 12-8-1919 met Johanna Justina Anschütz. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. Hij was de vader van de componisten Jurriaan Andriessen, Caecilia Andriessen en Louis Andriessen. Hendrik Andriessen was een Nederlands organist en componist. Hij kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, organist aan de St. Jozefkerk in Haarlem; later van de stadsorganist L. Robert. Aanvankelijk koos hij voor de muziekjournalistiek bij de Nieuwe Haarlemsche Courant, maar daarna voor studie aan het Amsterdams Conservatorium (1914). Zijn leraren waren o.a. J. de Pauw voor orgel en Bernard Zweers voor compositie. Twee jaar later behaalde hij zijn einddiploma. Intussen was hij zijn vader, die in 1913 overleed, opgevolgd aan de St. Jozefkerk. Daar kwam zijn begaafdheid als organist en improvisator al aan het licht; in zijn verdere loopbaan zou hij zich als zodanig steeds meer ontplooien. In deze jaren maakte hij kennis met de composities van Alphons Diepenbrock en al gauw ontmoette hij ook deze musicus zelf. Zowel de persoon Diepenbrock als zijn werk maakte grote indruk op Andriessen. Diepenbrocks stijl vindt men dan ook terug in sommige van Andriessens eigen composities, zoals Magna res est amor (1919). Toch is deze invloed van voorbijgaande aard geweest, vooral wat zijn kerkmuziek betreft. Van Diepenbrocks Missa uit 1890, door de componist bewerkt voor gemengd koor en orkest (Kyrie en Gloria, 1913), voltooide Andriessen de resterende onderdelen in 1968.
Uit deze vroege periode van Andriessens componeren stamt ook een aantal liederen en koorstukken, waarbij hij vaak gebruik maakte van Franse teksten, o.a. Chanson (1913), L'aube spirituelle (1916), meestal geschreven voor solostem met begeleiding van piano, orgel of orkest. Daarnaast componeerde hij enige koorstukken, o.a. Veni Creator (1913), Sonnet (1917), Salve Regina (1920). Zijn affiniteit met de Franse esprit is duidelijk aanwijsbaar; in het bijzonder heeft het werk van A. Caplet en C. Franck hem beïnvloed. Als neerslag hiervan kunnen beschouwd worden: Premier Choral (1913), Deuxième Choral (1916), Troisième Choral (1920), op afstand gevolgd door Quatrième Choral (1952), alle voor orgel. Een hoogtepunt in dit Frans-georiënteerde oeuvre vormde de liederencyclus Miroir de peine (1923) voor solostem met orgel of strijkorkest.
Intussen ging zijn belangstelling steeds meer uit naar de kerkmuziek. Op verrassende wijze manifesteerde hij zich op dit terrein met een heel eigen idioom en stijl, wars van het middelmatige post-Cecilianisme, een soort neo-Palestrina-imitatie. In de tweestemmige Missa in honorem sacratissimi Cordis (1919) trok hij de aandacht met een nieuwe conceptie bij het componeren van de liturgische misgezangen. Met eenvoudige middelen in zangstemmen en begeleiding riep hij een volledig nieuw klankbeeld op, dat veel meer dan gebruikelijk was recht deed aan de eigen functie van de kerkmuziek: 'Kerkmuziek is alleen die muziek, die één is met het organisme van de kerkelijke dienst.' Naast kerkmuziek bleef hij toch ook kamer- en orkestmuziek componeren. Een aantal werken voor klein ensemble, zoals de Sonate (1914) voor viool en piano, voor Violoncello en piano (1926), getuigt daarvan. Bovendien ging hem het symfonisch orkest als mogelijkheid voor composities boeien. Zijn Symphonie No. 1 en No. 2 kwamen respectievelijk in 1930 en in 1937 tot stand, terwijl hij na de oorlog No. 3 (1946) en No. 4 (1962) publiceerde. De jaren '30 bleken ook in andere opzichten in Andriessens componerende periode zeer vruchtbaar te zijn: naast de kerkmuziek, bijv. Variaties enfuga (1935) op een thema van Johann Kuhnau, en Inventionen (1937). In de kerkmuziek trok Andriessen ondertussen de lijn door die hij in 1919 met de op zienbare Missa had ingezet. Van de vele composities verdienen hier vooral vermelding zijn Missa diatonica (1935) en zijn Missa Christus Rex (l938), waarbij niet alleen de teksten van Kyrie, Gloria etc. voor twee koren met orgel getoonzet werden, maar ook de teksten voor het liturgisch feest zelf. Ook in dit opzicht wees Andriessen nieuwe wegen met andere miscomposities voor grotere of kleinere bezetting, vanuit een zelfde liturgische instelling.
Door al dit scheppend en uitvoerend werk trok Andriessen de aandacht, en dit leidde tot verschillende beroepen die hij vaak naast elkaar kon uitoefenen. Van 1927 tot 1949 was hij docent in theorie en compositie aan het Conservatorium te Amsterdam en voor orgel, improvisatie en gregoriaans aan de R.K. Kerkmuziekschool te Utrecht. Tot 1934 bleef hij daarnaast de vaste organist in Haarlem om vervolgens, met pijn zijn geliefde taak in Haarlem prijsgevend, benoemd te worden tot organistdirigent aan de Utrechtse kathedraal. Van 1937 tot 1949 was hij bovendien directeur van het Conservatorium te Utrecht, daarna van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag tot 1957.
Al deze beroepsbeslommeringen weerhielden hem er overigens niet van zijn compositorische arbeid, ook tijdens de oorlog en daarna, voort te zetten. Aan de Duitse bezetter moest hij, gelukkig korte tijd, ook zijn tribuut betalen: van 13 juli tot 18 december 1942 verbleef hij als gijzelaar in St. Michielsgestel. Maar in creatief opzicht werd hij daardoor niet uit het lood geslagen. Aan orgelwerken hebben wij in die tijd zijn composities Intermezzi (1943 en 1946) te danken en de grotere koorwerken Te Deum (1943), Septem Cantica Sacra (1943). Na de bevrijding bleef Andriessen een vooraanstaand componist, wiens werk ook vaak werd uitgevoerd en die veel nieuwe composities tot kort voor zijn dood produceerde. Voorbeelden hiervan zijn o.a. Wilhelmus van Nassouwe (1950), Rapsodie voor orkest, 'De zee en het land' voor spreekstem en orkest (1953), declamatorium en 'Psalm IX' voor koor en orkest (1961). Dit was des te opvallender omdat hem in 1952 ook nog de eer van een buitengewoon hoogleraarschap aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen te beurt viel en hij daarna in een door een gevarieerd studentenpubliek zeer gewaardeerde stijl colleges gaf. In zijn inaugurele rede van 1952 en in zijn afscheidscollege schonk hij aandacht aan algemene problemen van de muziek. Zo handelde de inaugurele rede over Aspecten der Nederlandse muziek (Nijmegen, 1952) en besteedde hij bij zijn afscheid aandacht aan 'De gedachtengang in de muziek' (Nijmegen, [1963]).
Het is ondoenlijk hier de talrijke composities op te sommen die Andriessen na de bevrijding nog in gereedheid bracht. Bijzondere vermelding verdienen hier wellicht: Orgelwerk als Concerto (1950) en Suite (1968), zijn grote Missa ter dankzegging (1973), waarin voor koor, cantor en kerkvolk de Nederlandse liturgische teksten werden getoonzet en orkestwerken als Canzone (1971) en Chantecler (1972). Ook heeft Andriessen zich aan operawerken gewijd: Philomela (1948/1949), dat een opzienbarende uitvoering kreeg, en De Spiegel van Venetië (1964).
Andriessen bestreek met zijn muzikale gaven een breed terrein, enerzijds van kerkmuziek, anderzijds van kamer- en orkestmuziek. Hij zag geen scheiding tussen deze twee gebieden. Daarvan getuigt zijn uitspraak: 'De instrumentale muziek is de jubilatie van de zang.' Naar eigen zeggen stond hij open voor het 'gegeven', de inval die hij de 'geschonken muziek' noemde. Karakteristiek voor zijn muziek is de verbinding van het contemplatief met het hymnisch element. Op de vernieuwing die Andriessen in de kerkmuziek teweegbracht werd reeds de aandacht gevestigd. Bij zijn ander werk kan men niet spreken van een bewust nieuwe tendens, maar hij componeert op zeer persoonlijke wijze in de stijl van zijn tijd en is zeker geen avant-gardist. Het orgel was zijn voorkeurinstrument en zijn orgelimprovisaties waren hoog gewaardeerd. In menig orkestwerk herkent men dan ook de invloed van het orgel als bron van inspiratie. Zijn succes bij een ruim publiek was vooral te danken aan het feit dat Andriessen voor elke situatie de juiste toon wist te treffen - of het nu een mis of een motet betrof of een symfonie of kwartet. Muzikale opschik was hem vreemd en zonder zich van zijn luisteraars afhankelijk te maken plaatst hij hen niet voor experimentele problemen.
Gedurende zijn laatste levensjaren verbleef Andriessen in de serviceflat Burghave te Heemstede.

Werken voor strijkers
1914 Sonate voor viool en piano
1924 Sonatina voor altviool en piano
1926 Sonate voor cello en piano
1938 Sérénade voor fluit/viool, viool/hobo en cello/fagot

1942 Serenade voor viool en piano

1950 Suite voor viool en piano

1950 Kleine suite voor altblokfluit of viool en piano

1967 Sonate voor altviool en piano

1969 l'Indifferent voor strijkkwartet

1969 Vioolconcert
1972 Divertimento a cinque, per flauto, oboe, violino viola e violoncello

Kees Arntzen

Kees Arntzen
Kees Arntzen

Kees Arntzen (Amsterdam, 5 september 1957) is een Nederlands componist en gitarist. Nadat hij in zijn jeugd kennis had gemaakt met de klassieke gitaar, studeerde Kees Arntzen schoolmuziek en gitaar aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, studies die hij in 1982 afrondde. Hij verhuisde nog datzelfde jaar naar Wenen, waar hij drie jaar compositie, gitaar en muziektheorie studeerde, bij resp. prof. Friedrich Cerha, prof. Karl Scheit en prof. Paul Kont.
In het Weense muziekklimaat was de invloed van expressionistische componisten als Berg, Webern en Cerha nog duidelijk merkbaar; invloeden van hun twaalftoonstechniek laten zich dan ook aflezen aan Arntzens composities uit die periode.
Terug in Nederland halverweg de jaren tachtig, pakte Arntzen eerst zijn studie Muziekwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam weer op en werkte vervolgens onder meer als muziekleraar, concertprogrammeur en uitvoerend musicus; na masterclasses compositie bij Daan Manneke in 1998 vond hij weer de tijd voor een regelmatige stroom composities.
Werk van zijn hand werd onder meer uitgevoerd bij het Festival Aspekte te Salzburg en uitgezonden door de Oostenrijkse omroep ORF. In april 2001 werden delen van zijn compositie Widmung uitgevoerd door gitarist Wim Hoogewerf en opgenomen voor Radio 4. Een CD met werken voor gitaar en klavecimbel verscheen nog datzelfde jaar. Het Koor Nieuwe Muziek gaf met succes Arntzens koorwerk HTW 1/2 in premiŤre. Onder leiding van Romain Bischoff voerde het Cluster-kamerkoor in maart 2003 de composities Fuite en Louenge a la Court voor koor a capella uit.
Van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst ontving Kees Arntzen hierna de opdracht tot het schrijven van een strijkkwartet ten behoeve van het Franciscus-Strijkkwartet, dat in het seizoen 2003-2004 herhaaldelijk werd uitgevoerd. Het stadsdeel Amsterdam-Zuid ondersteunde Arntzens initiatief tot het componeren van zijn kameropera 'Fenomeen' over de zanger Herman Brood, die in premiŤre ging in 2003.
Ten behoeve van het programma van fluitiste Eleonore Pameijer en zangeres Irene Maessen schreef Arntzen verder een liederencyclus voor fluit en zang op Italiaanse tekst, die tot klinken kwam bij de 'Vrienden van het Lied'. Voor zangeres Marianne Selleger schreef hij 'Hebršische Balladen', met het oog op een uitvoering in de RuÔnekerk te Bergen. Het Ensemble Rosario onder leiding van Marisol Gentile gaf in mei 2006 de premiŤre van Sfumatura voor kamerorkest in Rosario (ArgentiniŽ) tijdens een Festival voor moderne muziek. Voor het Tsjechische Bennewitz-Kwartet en klarinettist Harry-Imre Dijkstra componeerde Arntzen Kurzweil voor hun Amerika-tournee in 2007.
Recentelijk concerteerde Kees Arntzen met zijn Tucholsky-liederen samen met zangeres Henriette Schenk en pianist Paul Prenen in Berlijn, alsmede tijdens het Festival Wien Modern te Wenen.
Werken (selectie)


Enkele composities

1978 Gitaarvariaties voor gitaar solo
1979 Tucholsky-liederen voor zang en piano/gitaar
1981 Onder Ons voor 2 gitaren
1983 Knipoog voor gitaar en klavecimbel
1986 HWT 1/2 voor koor a capella en percussie
1999 LíEurope changeante voor klavecimbel solo
2000 Widmung voor gitaar solo
2001 Fuite voor koor a capella
2001 Esquisses de Sylvestre voor orgel solo
2001 Sfumatura voor kamerorkest
2002 Tal mi fecíio voor strijkkwartet
2002 Dove cíŤ tutto voor strijkorkest
2002 Louenge ŗ la Court voor koor a capella
2003 Fenomeen kameropera over Herman Brood
2003 Leuke Spreuken I - III voor vocaal ensemble
2005 Hebršische Balladen voor mezzo-sopraan en strijkkwartet
2006 Kurzweil voor klarinet en strijkkwartet

2009 Disfraz voor viool en piano

2009 Sonatine voor klarinet, altviool en piano

Henk Badings

Henk Badings
Henk Badings


Henk Badings werd geboren te Bandung (in het voormalig Nederlands Indië), op 17 januari 1907. Hij overleed te Maarheeze op 26 juni 1987.

Opleiding
Hij studeerde geologie aan de Technische Hogeschool te Delft waar hij in 1931 cum laude afstudeerde. Intussen had hij zich, hoofdzakelijk autodidactisch, tot componist ontwikkeld.

Activiteiten
Hij was werkzaam als assistent in de historische geologie en paleontologie aan de Technische Hogeschool in Delft. Van 1935 tot 1945 was hij als leraar en directeur verbonden aan verschillende Nederlandse conservatoria. Na 1945 heeft hij zich voornamelijk aan het componeren gewijd. In 1956 richtte hij een elektronische studio op in Eindhoven bij Philips, later doceerde hij akoestiek en informatica aan de Universiteit van Utrecht en was hij Professor aan de Musikhochschule van Stuttgart. Als gastdocent ging hij naar Australië en de Verenigde Staten.

Composities

Reeds in 1930, nog voor het beëindigen van zijn studie te Delft, werd zijn eerste Symphonie door het Concertgebouworkest te Amsterdam in première gebracht. In 1932 ontstond zijn tweede en in 1934 zijn derde symfonie, die zijn eerste uitvoering beleefde tijdens het Nederlands Muziekfeest in Amsterdam. Ter gelegenheid van de Vondelherdenking schreef hij in 1937 de toneelmuziek bij Gijsbrecht van Aemstel en in 1940 componeerde hij de zesdelige Java en Poèmes op tekst van Alla Baud. In 1941 ontstond het ballet Orpheus en Eurydice in samenwerking met de choreograafdanseres Yvonne Georgie, de dichter Werumeus Buning en dirigent Arntzenius. Na 1945 wijdde hij zich in hoofdzaak aan het componeren en direct ontstonden de komische opera Liefdes Lagen en Listen (eigen tekst) en enkele muziekpedagogische werken voor het aanvangsmuziekonderwijs. Henk Badings verwierf ook bekendheid als schrijver van onder andere De hedendaagse Nederlandse Toonkunst (1936), Tonaliteitsproblemen in de nieuwe muziek (1951) en een boek over 31-toonstemming (1978). Zijn 31-toonscomposities stammen uit 1952. Vooral in de vijftiger en zestiger jaren schreef hij veel elektronische werken. In 1954 verscheen zijn eerste radiofonische opera Orestes. Daarnaast schreef hij ook andere opera's en balletten met behulp van de elektronica, waaronder Die Frau aus Andros, Asterion, Genesis, Evolutions en Martin Korda. De balletmuziek, waaronder Kaïn en Abel, verscheen in 2005 op de cd Popular Electronics (Basta 30.9141.2). Badings kreeg opdracht tot het componeren van een orkestwerk voor het eeuwfeest van de Wiener Philharmoniker, een symfonie voor het 60-jarig bestaan van Het Concertgebouworkest, een Psalmensymfonie, een opera voor het Holland Festival, een symfonie voor het Louisville Symphony Orchestra (USA), een orkestwerk voor de Norddeutsche Rundfunk, een opera voor de Zuid-Afrikaanse radio en een ouverture voor het Cork Festival (Ierland).
Composities voor strijkers

 

Composities voor strijkers
1930 Konzert voor cello en orkest No. 1

1933 Sonate nr. 1 voor viool en piano

1935 Largo en allegro voor strijkorkest

1936 Capriccio voor viool en piano

1941 Sonate nr. 2 voor viool en piano. Opgedragen aan Jhr. Eugene Calkoen, directeur van het toenmalige Muzieklyceum.

1945 Elfenland, deel 2; kleine stukken voor kleine violisten.

1945 Kleine duetten voor 2 violen

1951 Sonate nr. 3 voor viool en piano. Opgedragen aan Paul Hindemith

1946 Air Triste voor viool en piano

1946 Aria trista e rondo giocoso voor fluit, klarinet, harp, piano en strijkkwartet

1952 Cavatina voor alt-fluit (viool) en harp
1953 Sonate voor vioolsolo nr. 2 en nr. 3

1959 Dubbelconcert voor 2 violen, Rostrum of Composers
1959 Capriccio voor viool met begeleiding van twee elektromagnetische klanksporen, samengesteld met 12 sinusgeneratoren

1962 Trio, voor viool, altviool en gitaar

1967 Sonate nr. 3 voor 2 violen

Triokosmos (1980)

Fiddler and his mate deel 1 t/m 4

Jacques Beers

Jacques Beers
Jacques Beers


Jacques Beers werd geboren op 2 juni 1902 te Amersfoort. Hij overleed op 15 juni 1947.

Opleiding
Hij studeerde aanvankelijk te Zwolle, waar zijn vader dirigent was van het Stedelijk Orkest en leraar aan de muziekschool voor cello en blaasinstrumenten. Reeds op 12 jarige leeftijd was hij als organist werkzaam aan de R.K. Kerk te Zwolle. In 1920 behaalde hij het diploma voor piano van de Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging, waarna hij studeerde aan het Amsterdams Conservatorium. In 1923 deed hij eindexamen hoofdvak piano en in 1926 werd hem het einddiploma voor het hoofdvak muziekgeschiedenis uitgereikt. (Dit was het eerste einddiploma door het Amsterdams Conservatorium voor dit hoofdvak uitgereikt). Na de militaire dienstplicht vestigde hij zich in Parijs, waar hij compositie studeerde bij Jean Huré en Nadia Boulanger.

Activiteiten
Van 1929 tot 1939 was hij cantor en organist aan de Duits Evangelische kerk in Parijs. Uit deze tijd dateren zijn belangrijkste composities. Het uitbreken van de oorlog noodzaakte hem zich weer in Nederland te vestigen. Hij werkte enige tijd als muziekleraar te Amsterdam en vervolgens als muziekregisseur bij de Nederlandse radio-omroep.

Composities voor strijkers
Sonate voor viool en piano

Sonate voor cello en piano

Kleine Weihnachtskantate voor gemengd koor en strijkorkest.

 

Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl

DaniŽl Belinfante

DaniŽl Belinfante
DaniŽl Belinfante

De suggestie onderzoek te doen naar de Nederlandse componist Daniël Belinfante (1893-1945) kwam in 2004 van een Italiaanse pianist. Duidelijker kan niet worden geïllustreerd hoezeer deze Amsterdamse componist van het muzikale toneel was verdwenen. Aanvankelijk lijkt de persoon Belinfante haast een muzikale Osewoud, de verzetsman uit Hermans’ Donkere kamer van Damokles, aan wiens werkelijke bestaan de lezer steeds meer gaat twijfelen. Gelukkig zijn de grote contouren van Belinfantes leven inmiddels zichtbaar geworden, vooral aan de hand van onderzoek in het Amsterdams Gemeentearchief. Belinfante werd in 1893 geboren in een groot Amsterdams-joods en zeer muzikaal gezin. Vader was diamantslijper en gaf de jonge Daniël zijn eerste vioollessen, die vervolgens werden overgenomen door zijn oom Sidney, die waarschijnlijk een professioneel violist was. Tevens studeerde hij piano, vermoedelijk bij Ary Belinfante. Toen Daniël in 1928 naar Blaricum verhuisde was hij inmiddels getrouwd met de zangpedagoge en componiste Martha Dekker (1900-1989), met wie hij leiding gaf aan de door hem in 1915 opgerichte Muziekschool in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Onder de docenten van deze muziekschool waren nogal wat leden van het Concertgebouworkest; Belinfante zelf en o.a. Karel Mengelberg gaven pianoles. Vanaf 1934 werd er voor amateurs en vakleerlingen ook een "Jazzklasse" aangeboden, de eerste in zijn soort. Opvallend genoeg werden ook deze lessen gegeven door leden van het Concertgebouworkest. Tijdens de oorlog dook Belinfante onder, wat hem er niet van weerhield om vanaf zijn onderduikadres in Amsterdam verzetswerk te doen. Hij huurde zelfs een woning, onder een valse naam, waarin hij onderduikers opnam. Toen hij daar op een dag berichten van de Engelse radio wilde komen doorgeven werd hij gearresteerd. Via Westerbork belandde Belinfante in Auschwitz en vandaar in Fürstengrube. Ondanks zijn sterke constitutie kwam hij uiteindelijk door een beenziekte terecht in de ziekenbarak, die bij de nadering van de Russen in januari 1945 door de Wehrmacht in brand werd gestoken. Zo kwam Belinfante vlak voor de bevrijding om het leven.
Op 12 juli 1945 vond ten huize van Martha Belinfante een concert plaats, georganiseerd door de Muziekschool. Martha had de oorlog overleefd en het directeurschap van haar overleden echtgenoot overgenomen. Op het programma stonden, naast werk van Martha zelf, werken van o.a. Händel, Debussy en Ravel, maar verrassend genoeg niet van Daniël Belinfante. Voorzover we kunnen nagaan is de muziek van Belinfante na de oorlog niet meer gespeeld. Maar hoe was het voordien met uitvoeringen gesteld? In de omvangrijke collectie partituren van het Nederlands Muziek Instituut zijn veel speelaanwijzingen bijgeschreven, maar aanwijzingen over concertuitvoeringen ontbreken. Wel werd Belinfantes muziek regelmatig gespeeld op zijn muziekschool en gaf hij aan zijn betere leerlingen zijn pianomuziek als studiemateriaal. Belinfante heeft waarschijnlijk een gebrek aan respons gevoeld. Concerten kunnen de componist immers helpen eventuele correcties aan te brengen en hem stimuleren aan een volgend opus te beginnen.

Persoonlijke documenten mogen dan grotendeels verloren zijn gegaan, gelukkig bezitten we nog wel de meest essentiële nalatenschap van de componist: zijn muziek. Daarin is de invloed van de eigentijdse Franse muziek direct hoorbaar. Zo valt het frequente gebruik van bitonaliteit op, het gelijktijdige gebruik van twee verschillende toonsoorten, zoals met name veel werd toegepast door Milhaud. Ook een zekere weerbarstigheid in de klank, een veelal ostinate ritmiek en een fijnzinnig oor voor bijzondere harmonische kleuren doen aan Belinfantes Franse tijdgenoot denken.

Selectie van werken
Sonatine nr. 3 (ongedateerd)   piano
Trio 1941   fluit, hobo en fagot
Kwartet 1927   twee violen, cello en piano
Concertino 1936
piano, fluit, hobo, viool, altviool, cello en contrabas Van Belinfantes kamermuziek die in de afgelopen jaren is uitgevoerd (de orkestmuziek wacht nog geheel op ontsluiting) maakt het Concertino voor piano indruk door een heldere en montere schrijfwijze. Het Kwartet voor twee violen, cello en piano is donkerder van kleur en treft door zijn dramatische kracht. Uit het uitgebreide oeuvre voor piano solo mag met name de Derde Sonatine geslaagd worden genoemd. De twee strijkkwartetten, uit 1931 en 1941, wachten nog op een uitvoering, evenals de sonates voor viool respectievelijk cello en piano. Het is aan de huidige generatie musici om het zorgvuldige muzikale selectieproces te voltooien.

Tekst: Marcel Worms

Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl

HenriŽtte Bosmans

HenriŽtte Bosmans
HenriŽtte Bosmans

Henriëtte Hilda Bosmans (6 december 1895 –  2 juli 1952) was een Nederlandse componiste en pianiste. Henriëtte Bosmans werd in Amsterdam geboren als dochter van cellist Henri Bosmans die was verbonden als solo-cellist aan het Concertgebouworkest en pianiste Sara Benedicts. Haar vader overleed toen ze één jaar oud was. Haar moeder gaf haar pianoles en vanaf haar zeventiende trad ze geregeld op in het Concertgebouw.
Vanaf 1914 begon ze stukken voor piano te componeren en nam ze compositieles. Ook kreeg ze van 1921 tot 1922 orkestratieles van Cornelis Dopper. In 1919 werd voor het eerst een werk van haar, een vioolsonate, publiek uitgevoerd. Ze schreef vooral kamermuziek en na haar studie bij Dopper ook orkestmuziek; veelal met een solerende rol voor de cello. Omdat ze ernaar streefde een modernere stijl te creëren, ging ze van 1927 tot 1930 bij Willem Pijper in de leer.
In 1934 verloofde ze zich met violist Francis Koene met wie ze al vaak samen gespeeld had. Toen deze het jaar daarop overleed viel Bosmans in een emotioneel gat en componeerde ze jarenlang niets meer. In 1941 werd haar door de bezetter het optreden verboden omdat ze half-joods was. Na de oorlog begon ze weer volop te componeren en te musiceren Tevens schreef ze nog voor verscheidene dagbladen en onderhield ze een correspondentie met collega Benjamin Britten. Bosmans werd in 1951 geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Helaas stierf ze het jaar daarop aan maagkanker. Ze werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied.
Bosmans had een opmerkelijk moderne stijl, waarbij ze zich weliswaar door de muzikale voortrekkers uit die tijd liet inspireren (met name door Debussy) maar toch haar eigen weg te vinden wist. Van haar leermeester Pijper nam ze de polytonaliteit over; verder is haar muziek vooral impressionistisch, met een voorliefde voor onverwachte wendingen in maat- en toonsoort.

Composities voor strijkers
1919 Sonate voor cello en piano

1921 Trio voor piano, viool en cello

1921 Eerste celloconcert

1923 Tweede celloconcert

1923 Mélodies Françaises, symfonisch gedicht voor cello en orkest
1926 Impressions voor cello en piano

1926 Nuit Calme, voor cello en piano

1927 Strijkkwartet
1934 Concertstuk voor viool en orkest
Twee voordrachtstukken voor viool en piano (opgedragen aan Felice Togni)

*Ariëtta

*Danse Orientale

Vier voordrachtstukken voor viool en piano (opgedragen aan Alexander Schmuller)

*Preludium

*Uit vervlogen tijd

*Intermezzo

*Dorpsdans

Cadenzen coor de vioolconcerten van Mozart KV 216 in G en KV 219 in A

 

In 1994 werd de Henriëtte Bosmansprijs ingesteld, een aanmoedigingsprijs voor Nederlandse componisten.

 

Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl

Johannes Bernardus van Bree

Bernardus van Bree
Bernardus van Bree

Johannes Bernardus van Bree (Amsterdam, 29 januari 1801 – aldaar, 14 februari 1857) was een Nederlands componist, violist en dirigent. Hij werd in zijn tijd beschouwd als de meest talentvolle toonkunstenaar in Nederland. Zijn belangrijkste openbare functies waren die van dirigent van de orkesten van Felix Meritis en Caecilia in Amsterdam.

Van Bree kreeg zijn eerste vioollessen van zijn vader. Rond 1812 vertrok het gezin naar Leeuwarden, waar vader Van Bree een betrekking als muziekmeester had aangenomen. De zoon hielp zijn vader als pianostemmer en begeleider van danslessen. Rond 1815 werd hij door baron C. E. Collot d’Escury aangesteld als muziekleraar van zijn kinderen bij hem thuis te Minnertsga bij Franeker. Daarnaast speelde hij enkele malen als vioolsolist te Leeuwarden.
In 1820 keerde Van Bree terug naar Amsterdam, gaf daar viool- en pianolessen en trad op als solist. Intussen ontving hij theorieles van Johan George Bertelman. Hij werd violist in het orkest van de Fransche Schouwburg; korte tijd later in dat van Felix Meritis, waar hij al gauw optrad als plaatsvervangend concertmeester en als solist.
In 1827 trad hij in het huwelijk met Anna Maria Maaskamp, die echter 13 weken later stierf. In 1831 hertrouwde hij met Johanna Catharina Uitenbroek.
In 1828 richtte hij een zangvereniging op waarvan hij dirigent werd. In 1830 nam hij de directiestaf over van Antoine Fodor bij Felix Meritis, destijds de belangrijkste concertinstelling van het land. Hij werd beroemd om zijn vaardigheid in het snel ontcijferen van partituren en het begeleiden van wispelturige solisten, een vaardigheid die hem goed te pas kwam bij deze instelling waar vrijwel geen ruimte was voor repeteren. Verschillende amateurorkesten kwamen ook onder zijn leiding, evenals de kerkkoren van de Franse kerk en de Mozes en Aäronkerk.
Zodoende werd hij de dominerende figuur in het Amsterdamse muziekleven, vooral toen hij na de fusering van zijn zangvereniging met het toonkunstkoor in 1836 ook nog de leiding kreeg over dat koor, waarmee hij ook verschillende muziekfeesten leidde. In 1840 werd Van Bree dirigent van de stadsschouwburg, maar een jaar later werd de Nationale Opera opgeheven en legde hij zijn functie weer neer.
Samen met enkele anderen had hij toen echter de Maatschappij Caecilia opgericht (januari 1841), een beroepsorkest dat tweemaal per jaar een zorgvuldig voorbereid concert gaf, dat als hoogtepunt van het Nederlandse muziekleven werd gezien. Hier werden slechts orkestwerken uitgevoerd van de grote meesters als Beethoven, Mendelssohn, Mozart, Weber en Louis Spohr; later ook Schumann.
In 1838 richtte Van Bree een strijkkwartet op, waarin hij primarius werd, en hiermee maakte hij de kwartetten van Beethoven bekend. In 1848 leidde Van Bree de eerste complete uitvoering van de negende symfonie van Beethoven bij Felix Meritis, in 1853 was het de beurt aan de Missa Solemnis in de Mozes- en Aäronkerk. Hij dirigeerde in de jaren 50 ook sporadisch wat oude muziek. Hij leidde tevens de eerste uitvoeringen in Nederland van de Symphonie fantastique van Berlioz (1855) en de Faust-ouverture van Wagner (1856).
In 1847 werd Van Bree lid van het bestuur van Toonkunst, in 1849/50 was hij voorzitter; in 1853 werd hij directeur van de muziekschool van Toonkunst. Hij gaf daar bovendien theorie, viool, piano en zang. Hij had herhaaldelijk met gezondheidsproblemen te kampen, en in het najaar van 1856 moest hij al zijn werkzaamheden staken. Richard Hol volgde hem op bij Toonkunst, Bunte bij Caecilia, J. M. Coenen bij Felix Meritis, H. J. J. van Bree bij Mozes- en Aäron, en Frans Coenen in de Amsterdamsche Quartetvereeniging.
Van Bree werd in 1840 opgenomen in het register van honoraire leden van de Academia di Santa Cecilia te Rome. In 1842 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
[bewerken]Componist

Van Bree wordt gezien als een van de meest prominente componisten uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Zijn werken werden met waardering genoemd in binnen- en buitenland. Ten tijde van de Belgische Opstand in 1830 schreef hij een aantal patriottische liederen die hem de titel 'nationaal componist' opleverden. Hoewel weinig van zijn composities de tand des tijds hebben doorstaan en zijn muziek na zijn dood snel in de vergetelheid is geraakt, schreef Van Bree verschillende ouvertures en symfonieën, een vioolconcert, koorwerken, de opera’s Saffo (1834) en Le Bandit (1835), het zangspel Neem u in acht (1826), strijkkwartetten, pianowerken en een zeer aantrekkelijk Allegro voor vier strijkkwartetten dat in 1845 door leden van het Caeciliaorkest voor het eerst werd uitgevoerd en vandaag de dag weer geregeld op de concertprogramma's staat. Zijn werken zijn deels op de Duitse school van Spohr en Mendelssohn, maar deels ook op de lichtere Franse stijl van Boieldieu en Adam georiënteerd.

 

Composities voor strijkers

Allegro voor vier strijkkwartetten

Vioolconcert

Strijkkwartetten

 

Sas Bunge

Sas Bunge
Sas Bunge

Sas Bunge werd op 9 juli 1924 te Amsterdam geboren. Hij overleed op 17 juli 1980 in Utrecht.

 

Opleiding

Sas Bunge kwam uit een muzikaal gezin. Na zijn gymnasiumopleiding (op 15-jarige leeftijd won hij al een z.g. ‘interscolair’ pianoconcours met een eigen compositie, geïnspireerd door een schilderij van Watteau) studeerde hij vanaf 1942 aan het Amsterdams Conservatorium bij George van Renesse en Nelly Wagenaar. Die studie werd in 1946 bekroond met de Prix d’Excellence; daarna volgde hij nog lessen bij Marguérite Long in Parijs. Naast zijn pianostudie volgde Bunge aan het conservatorium compositielessen bij Hendrik Andriessen en later nog enige tijd bij Kees van Baaren.

 

Activiteiten

Sas Bunge was een veelzijdige kunstenaar die als pianist, componist en publicist op velen een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Als pianist had hij in de eerste plaats affiniteit met de grote romantici (Schumann, o.m. het Carnaval); Chopin (o.m. de Ballades), Liszt (de etudes), maar ook kon hij Ravel en Debussy prachtig vertolken. Ook zette hij zich in voor Nederlandse componisten als Willem Pijper, Rudolf Escher en Frank Martin. Hij zocht en vond onbekend pianorepertoire (Alkan, Arensky, Gottschalk e.a.) en in een tijd dat het begrip ‘muziektheater’ nog nauwelijks inhoud had, bracht hij al met originele theatrale elementen opgetuigde recitals in het Amsterdamse Shaffy-theater. Naast zijn functie als hoofddocent piano aan het Utrechts Conservatorium verzorgde hij daar in de laatste jaren een interessante cursus structuuranalyse, waarin veel van zijn gaven samenkwamen.

 

Composities

Aanvankelijk hanteerde Bunge een palet dat voortbouwde op het impressionisme: hij geloofde heilig in de mogelijkheid dat uit het tonale systeem ‘onder de druk van voldoende talent nieuw goud kan worden gewonnen.’ Hij schreef veel liederen (op teksten van Ronsard, Louise Labé, Ben Jonson en anderen) en ontving voor zijn Ballade des Pendus (1944) op tekst van François Villon voor mezzosopraan en orkest de Johan Wagenaarprijs. Later ontving hij verschillende stipendia voor het componeren van educatieve muziek (piano-etudes voor de ontwikkeling van specifieke technische vaardigheden, maar ook composities voor kleine harpen, en, eerder al, werken voor schoolorkest en jeugdkoor). Ook schreef hij kamermuziek voor de gebruikelijke bezettingen.

 

Composities voor strijkers

Suite voor twee violen en piano ad. libitum getiteld: 'Uit'

Sonatine voor viool en piano

Publicaties

Ook zijn bundel Noten lezen en de tekst bij zijn muzikale poppenspel Tierelyra getuigen van zijn veelzijdigheid.

page loading