Nederlandse en Vlaamse componisten III
|
Welkom op de pagina Nederlandse en Vlaamse componisten III. De teksten op deze pagina zijn al dan niet in bewerkte vorm afkomstig van o.a. de websites van Donemus, Wikipedia en de Leo Smit Stichting. Een aantal teksten is geschreven door Vioolschool Sillem.
|
|
Willem Pijper Willem Pijper Willem Frederik Johannes Pijper (Zeist, 8 september 1894 – Leidschendam, 19 maart 1947) was een Nederlands componist. Hij begon zijn carrière als muziekcriticus bij het Utrechts Dagblad terwijl hij (hoewel zelf grotendeels autodidact) tegelijkertijd leraar compositie aan het Amsterdams Muzieklyceum was. In deze periode raakte hij verwikkeld in een heftig conflict met de dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (USO), de componist Jan van Gilse. In 1925 werd Pijper benoemd tot hoofddocent aan het Conservatorium van Amsterdam en in 1930 werd hij directeur van het Rotterdams Conservatorium welke functie hij tot zijn overlijden vervulde. Als leerling zijn onder andere Henk Badings en Rudolf Escher vermeldenswaardig. Willem Pijper overleed op 52-jarige leeftijd te Leidschendam. Op de Kop van Zuid in Rotterdam staat een bronzen beeld van Willem Pijper gemaakt door Willem Verbon.
Als componist werd Pijper eerst beïnvloed door de Duitse laat-romantiek en in het bijzonder Gustav Mahler zoals blijkt uit zijn eerste symfonie (1917). Al snel wendde hij zich tot het Franse impressionisme van Claude Debussy en Maurice Ravel. Na 1920 streefde hij naar een 'absolutistische' muziek, die vrij moest zijn van literaire verwijzigingen. Zijn leidsmannen werden toen vooral Darius Milhaud, Igor Stravinsky en Béla Bartók. In zijn werken gebruikte hij polytonaliteit en polyritmiek. Als compositie- methode hanteerde hij de door hemzelf bedachte kiemceltechniek, waarbij allerlei motieven zich afzetten tegen een klankcentrum dat grotendeels onveranderlijk blijft. Enigszins verrassend kan zijn voorkeur voor Spaanse ritmen zoals tango en habanera genoemd worden. Vanaf ongeveer 1932 ging Pijper milder en doorzichtiger componeren. In die jaren schreef hij de opera's Halewijn en Merlijn (de laatste onvoltooid). Ook al koos hij een principieel andere weg dan de atonaliteit en de twaalftoonstechniek van de Tweede Weense School, hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de moderne muziek in Nederland. Willem Pijper schreef ook Maçonnieke Muziek, waaronder de Zes Adagio's (1940), waarvan het manuscript zich bevindt in het Cultureel Maçonniek Centrum Prins Frederik in Den Haag).
Composities voor strijkers 1936 Celloconcert 1939 Vioolconcert 1940 Zes adagio's voor strijkorkest 5 strijkkwartetten: 1914, 1920, 1923, 1928, 1946 1914 Pianotrio 1920 Septet 1923 Sextet
Sonate voor viool solo
Sonate nr. 1 voor viool/piano (1919) Opgedragen aan Hendrik Rijnbergen
(De 1e sonate voor het eerst uitgevoerd door Hendrik Rijnbergen (viool) en Willem
Pijper (piano) op 19 september 1919 in het Stedlijk museum te Amsterdam.
Sonate nr. 2 voor viool/piano (1922) Opgedragen aan Hendrik Rijnbergen
Sonate voor cello en piano
|
|
Nico Richter
Nico Richter liep als kind dagelijks langs de Amsterdamse Vondelkerk en luisterde dan gretig naar het orgel en het koor. Waarschijnlijk was dit het begin van zijn grote liefde voor de muziek. Hij werd geboren in Amsterdam in een niet-religieus joods gezin. Op zijn zevende jaar kreeg hij vioolles van Jacques Muller, die later altviolist in het Concertgebouworkest zou worden. Het Concertgebouw werd een vertrouwde plek voor hem, omdat zijn vader hem reeds op jonge leeftijd meenam naar concerten. Tijdens een van die concerten hoorde hij Willem Pijper optreden als solist in diens eigen pianoconcert, waarna hij besloot dat hij ook componist wilde worden. Richter was toen twaalf. Een jaar later schreef hij zijn eerste compositie.
Richter doorliep de HBS en besteedde daarnaast veel tijd aan vioolspelen en componeren. Hij wilde compositie studeren, maar onder druk van zijn vader schreef hij zich in voor een studie medicijnen aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Hij genoot van het studentenleven en werd lid van de studentenvereniging Unitas. Daarnaast studeerde hij viool aan de muziekschool van het Amsterdamsch Conservatorium en ging hij door met componeren. Zijn vioollerares was Sepha Jansen, de echtenote van Eduard van Beinum. In juli 1935 deed Richter mee aan een dirigenten- en compositieconcours in Brussel, onder leiding van de dirigent Hermann Scherchen, die later zijn leraar directie zou worden. Met zijn Concertino voor cello en vijf instrumenten won hij een prijs.
In 1936 slaagde Richter voor zijn kandidaatsexamen geneeskunde. Kort daarna ontmoette hij zijn vroegere klasgenote Hetta Scheffer, een violiste. Zij begonnen samen te musiceren, en er ontstond tussen hen een innige vriendschap. In 1937 werd Richter dirigent van het orkest van de Amsterdamsche Studenten Muziek Vereeniging MUSA, dat hij vier jaar zou leiden en dat hem de gelegenheid gaf een aantal van zijn eigen composities ten doop te houden.
Bij het uitbreken van de oorlog was Nico Richter 25 jaar oud. In oktober 1940 trouwde hij met de niet-joodse Hetta. Het jonge echtpaar hoopte dat Nico door een ‘gemengd huwelijk’ aan de jodenvervolging zou kunnen ontkomen. Hoewel joodse studenten vanaf september 1941 van de universiteit werden geweerd, mocht Richter zijn studie afmaken: op 18 november 1941 behaalde hij zijn bul. Richter sloot zich aan bij een verzetsgroep, maar in april 1942 werd hij na verraad van zijn bed gelicht. Na gevangenschap in kamp Amersfoort en kamp Vught werd hij op transport gesteld naar Auschwitz. Daar wist hij zijn bestaan te rekken door zich als arts tewerk te laten stellen. Vanuit zijn tijdens zijn studie opgedane ervaring met tropische ziekten moest hij onder andere patiënten met vlektyfus behandelen. In de laatste oorlogswinter werd hij overgebracht naar Dachau. Na een lange lijdensweg kwam Richter in 1945 doodziek uit de kampen terug; zijn longen waren ernstig aangetast. De Serenade voor fluit, viool en altviool kon hij nog op zijn sterfbed optekenen. In augustus 1945 stierf hij, negenentwintig jaar oud.
De omvang van het oeuvre van Nico Richter is bescheiden. Hij schreef voornamelijk voor kleinere bezettingen, en zijn langste werk, afgezien van de kameropera Amorys, duurt negen minuten. Zijn composities zijn doorgaans kort en gecomprimeerd; er staat geen noot teveel. Selectie van werken Vioolconcert 1933 Sonatine I 1934 piano Serenade 1934 kamerorkest Trio 1935 fluit, altviool en gitaar Strijkkwartet 1936 Amorys kameropera 1937 Twee stukken 1942 viool en piano Serenade 1945 fluit, viool en altviool Anders dan het werk van de meeste andere Nederlandse componisten, die zeer Frans waren georienteerd, heeft de muziek van Nico Richter meer verwantschap met de Nieuwe Weense School. Richter ging zeer vrij om met de tonaliteit, en zijn pregnante muzikale expressie doet denken aan het idioom van Anton Webern en Alban Berg. In de vorm maakt hij dikwijls gebruik van symmetrie, die vaak zichtbaar is in gecomprimeerde sonatevormen. Richters muziek is na 1945 slechts sporadisch uitgevoerd, al heeft zijn weduwe gezorgd voor diverse uitvoeringen in de Amsterdamse concertzaal "De Suite". Gelukkig is voor zijn muziek een hernieuwde belangstelling ontstaan.
Tekst: Eleonore Pameijer
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Julius Röntgen 'Gaudeamus: Het leven van Julius Röntgen', de titel van de biografie waarin de auteur Jurjen Vis vertelt over deze fascinerende componist. Julius Engelbert Röntgen (Leipzig, 9 mei 1855 – Utrecht, 13 september 1932) was een Duits-Nederlandse componist, pianist en dirigent. Al op zeer jonge leeftijd trad hij onder meer op in duo-verband met de bariton Julius Stockhausen, de violist Carl Flesch en later met de cellist Pablo Casals (1876-1973). Van Johannes Brahms ondervond hij de meeste invloed op zijn componeren maar ook liet hij zich beïnvloeden door César Franck en Max Reger. Röntgen had liefde voor oude volksmuziek – iets wat hij deelde met zijn vriend Edvard Grieg – en schreef bewerkingen van oud-Nederlandse dansen en liederen. Meer dan 600 werken liet hij na waarvan een aantal is uitgegeven door Breitkopf & Härtel. Vanaf 2002 heeft Donemus van hem ca. 100 stukken uitgegeven die nooit eerder waren gepubliceerd.
Duitsland Julius Engelbert Röntgen werd op 9 mei 1855 in Leipzig geboren als zoon van de Nederlandse violist Engelbert Röntgen, concertmeester van het Leipziger Gewandhaus- orchester, en de Duitse pianiste Pauline Klengel. Van Louis Plaidy en Carl Reinecke (dirigent van het Gewandhausorchester) kreeg hij pianolessen. Op jonge leeftijd schreef hij al enkele composities en in 1871 werden de eerste gedrukt. Als muzikaal wonderkind ging hij langs de grote Duitse muzieksteden als Düsseldorf, Hamburg en zijn geboorte- stad Leipzig. Op zijn 14e werd Röntgen voorgesteld aan Franz Liszt, voor wie hij een van zijn eigen composities ten gehore bracht. Liszt nodigde hem daarop uit voor een van zijn beroemde soirees in zijn huis in Weimar. Al op achttienjarige leeftijd maakte Röntgen een tournee met de Duitse bariton Julius Stockhausen, die hij begeleidde op piano. Tijdens zijn jeugd leerde hij zijn latere vriend Edvard Grieg (1843-1907) kennen die enkele jaren studeerde aan het Conservatorium van Leipzig. Röntgen bezocht toen ook de 'Skandinaviske Selskap', een vereniging van Noorse en Zweedse studenten aan de Universiteit van Leipzig. Veel Scandinaviërs trokken in die tijd naar Duitse universiteiten, omdat Noorwegen en Zweden toen nog geen hoger onderwijs hadden. In diezelfde club leerde Röntgen ook zijn latere eerste vrouw kennen, de Zweedse vioolstudente Amanda Maier. Na zijn opleiding aan het conservatorium van Leipzig toog hij naar de pianist Franz Lachner in München om zijn techniek daar nog verder te verbeteren. Franz Lachner was bevriend geweest met Franz Schubert.
Amsterdam In 1877 vertrok Röntgen naar Nederland op uitnodiging van Abraham Dirk Loman, die in het culturele leven van die dagen een vooraanstaande positie innam. Röntgen vestigde zich in Amsterdam en werd pianoleraar aan de muziekschool. Ook dirigeerde hij de zangvereniging Excelsior en de Amsterdamse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Ook organiseerde en leidde hij de Felix Meritis-concerten. In een van de vele brieven aan zijn ouders in Leipzig schreef hij dat het muziekleven in Amsterdam niet op hoog peil stond. De muziekschool werd vooral bezocht door kinderen en oudere dames die voor hun plezier muziekles namen, niet om er later hun brood mee te verdienen. Tussen 1878 en 1885 bezocht de componist Johannes Brahms enkele malen Amsterdam om er concerten te dirigeren. Tijdens een concert in 1884 liet hij Röntgen zijn Tweede Pianoconcert spelen. Over het niveau van de orkestmusici was Brahms dermate ontevreden dat hij zei voortaan alleen naar Amsterdam te komen om lekker te eten. Röntgen richtte in 1883 samen met Frans Coenen sr. en Daniël de Lange het Amsterdamsch Conservatorium op. Ook stond hij aan de wieg van het Concert-
gebouw. Steeds meer werd in Amsterdam de behoefte gevoeld om een grote concertzaal te bouwen. Röntgen, die werd aangezocht om te adviseren over de vorm, wees architect Van Gendt op de concertzaal van het Gewandhaus te Leipzig (later verwoest bij het grote bombardement van 1943). De bouw duurde bijna vier jaar. In 1888 zocht men een dirigent voor het inmiddels opgerichte Concertgebouworkest. Röntgen solliciteerde naar de betrekking, maar de sollicitatiecommissie betwijfelde of hij genoeg artistiek talent had voor de zware baan. Toen de beroemde Hans von Bülow, dirigent van het hoforkest van Meiningen in Thüringen, geen tijd bleek te hebben vond men violist en dirigent Willem Kes uit Dordrecht bereid om als dirigent voor het Concertgebouworkest te gaan staan. Röntgen ging zich nu nog meer bezighouden met het componeren van kamermuziek en met zijn conservatoriumwerk. Hij had veel succes als pianobegeleider van de bekende violist Carl Flesch, de beroemde zangers Johannes Messchaert en Aaltje Noordewier-Reddingius en later de cellist Pablo Casals. Met Messchaert trad hij bijna jaarlijks op in Wenen, waar hij vaak contact had met de door hem bewonderde Brahms. Rond 1883 versterkte Röntgen zijn contact met componist Edvard Grieg. Hij had hem al eens bezocht in zijn villa Troldhaugen bij Bergen en was in de ban geraakt van de prachtige Noorse natuur. Met Grieg en zijn vriend Frants Beyer maakte hij grote bergwandelingen door o.a. de Jotunheimen. Grieg bezocht Amsterdam om er een concert te geven. Als componist had Röntgen veel aan de grote vriendschap met Grieg die duurde tot diens dood in 1907. Grieg speelde graag Röntgen's composities en gaf aanwijzingen voor verbeteringen. Na Griegs dood schreef Röntgen een interessante biografie in het Nederlands met veel aanhalingen uit de omvangrijke correspondentie. In 1898 deed Röntgen, na een conflict met Kes' opvolger bij het Concertgebouworkest, Willem Mengelberg, afstand van zijn koordirigentschap bij de Amsterdamse Afdeling van de Vereniging "Toonkunst". Brahms had hem in een brief gewaarschuwd: "Voor die concertcommissies geef ik geen cent...". Het bezorgde hem moeilijke jaren. De bittere pil werd enigszins verzacht toen hij directeur kon worden van het Amsterdamsch Conservatorium, het instituut dat hij eens met De Lange en Coenen had opgericht. Vacanties bracht de familie Röntgen vaak door in Denemarken waar Julius Röntgen de kunstenares Bodil de Neergaard leerde kennen. Een langdurige artistieke relatie ontstond in kasteel Fuglsang op het eiland Lolland waar ook de componist Carl Nielsen vaak gast was.
Villa Gaudeamus In 1924 ging Röntgen, bijna 70 jaar oud, met pensioen bij het Conservatorium. Hij trok zich terug in de door zijn zoon Frants in de stijl van de Amsterdamse School ontworpen Villa Gaudeamus in Bilthoven. De muziekzaal, geheel van hout, 'zweeft' als het ware boven de grond. Tijdens de laatste jaren van zijn leven schiep hij meer dan 100 composities, meestal kamermuziek en liederen. In Villa Gaudeamus bezochten hem vele beroemdheden zoals Pablo Casals en de Australische pianist en componist Percy
Grainger. Röntgen gaf in de avonduren analyse-cursussen aan huis en sloeg daarbij moderne componisten zoals Hindemith, Stravinsky en Pijper niet over. De enige moderne componist die hem niet kon boeien was Schönberg.
In 1928 bezocht Röntgen zijn zoon Engelbert, die het als cellist tot een toppositie in de beroemde Metropolitan Opera in New York had gebracht. Enthousiast werd hij over de muziek van de jonge componist George Gershwin en de jazz. Teruggekomen schreef hij ook enkele bewerkingen van 'Negro Songs'. In zijn laatste jaren experimenteerde hij ook met atonale muziek en schreef hij een bitonale symfonie; Symfonie nr. 9, 'De Bitonale' (uitgekomen in 2005 op het cd-label Cobra door het Noord-Nederlands Orkest o.l.v. Hans Leenders). In het Tuschinski Theater in Amsterdam zorgde Röntgen vaak voor de muzikale begeleiding van de zwijgende films van de folklorist Dick van der Ven. Daarbij speelde hij stukjes volksmuziek die hij vroeger al had gearrangeerd. Zoals veel pianisten in die tijd speelde hij ook pianorollen in zodat er nu nog een getrouwe weergave is van zijn pianospel wanneer men ze afspeelt op een reproductiepiano. (Het pianolamuseum aan de Westerstraat 106 te Amsterdam heeft een groot aantal rollen ingespeeld door Röntgen) Voor de bundel van de Nederlandse Protestantenbond bewerkte hij vele liederen en gezangen. In het Liedboek voor de Kerken zijn opgenomen de gezangen 13A "D'Almachtige is mijn Herder en Geleide" van Vondel en 469 "Het leven is: een krijgsbanier" van Guido Gezelle. In 1930 ontving Röntgen een eredoctoraat van de Universiteit van Edinburgh. Zwaar ziek voltooide Röntgen in zijn laatste twee maanden nog het Pianokwintet in G. Op 13 september 1932 stierf hij in het Utrechtse Diaconessenhuis op 77-jarige leeftijd. De Engelse musicoloog Donald Tovey schreef in 1932 in zijn in memoriam in The Times: "Zijn compositorische werk kent elke muziekvorm en geeft daarbij blijk van volledige beheersing van de compositietechnieken. Al zijn werken leggen getuigenis af van zijn bijzonder grote muzikale gaven".
Privé-leven Met zijn zoons uit zijn eerste huwelijk met Amanda Maier, de violist Julius en de cellist Engelbert, vormde hij het Röntgentrio. Enige tijd na Amanda's dood in 1894 trouwde hij de getalenteerde pianiste Abrahamine des Amorie van der Hoeven (Mien). Uit dit huwelijk werden vier zoons en één dochter geboren. Van hen gingen drie zoons de muziek in en ook met hen trad hij op. Muziek was in de familie Röntgen een van de belangrijkste vormen van vrijetijdsbesteding. Na de Eerste Wereldoorlog, op 30 december 1919, werd Röntgen genaturaliseerd tot Nederlands staatsburger omdat de eerste zoon uit het tweede huwelijk, de pianist Johannes Röntgen, in 1916 in Duitse krijgsdienst werd opgeroepen. De tweede zoon uit zijn eerste huwelijk, de cellist Engelbert Röntgen die naar de VS was geëmigreerd, diende in het Amerikaanse leger als hospitaalsoldaat. Het gevolg was, dat Röntgen enkele jaren niet meer in Duitsland kon optreden.
Familie-overzicht Huwelijk (1880) met Amanda Maier (1853-1894)
Uit dit huwelijk:
*Julius Röntgen jr., violist (1881-1951) *Engelbert Röntgen, cellist (1886-1958) Huwelijk (1897) met Abrahamine des Amorie van der Hoeven (1870-1940)
Uit dit huwelijk:
*Johannes Röntgen, pianist (1898-1969) *Amanda Röntgen (1899-1904) *Edvard Frants Röntgen, cellist (1902-1969) *Frants Edvard Röntgen, architect (1904-1980) Joachim Röntgen, violist (1906-1989)
De beroemde natuurkundige Wilhelm Conrad Röntgen, naar wie de Röntgen-stralen zijn genoemd, was een achterneef van de vader van Julius Röntgen.
Composities voor strijkers
Sonates voor cello en piano
Pianotrio's
3 vioolconcerten
Suite in d voor viool en strijkorkest
Ballade voor viool en orkest
Sonate voor altviool en piano
De bekende Nederlandse publicist en auteur Dr. Jurjen Vis schreef een fascinerende biografie met de titel: Gaudeamus, het leven van Julius Röntgen. |
|
Robert de Roos Robert de Roos Robert de Roos, Nederlands componist en diplomaat, geboren Den Haag 10 maart 1907, gestorven Den Haag 18 maart 1976 Robert de Roos studeerde piano, viool en altviool en was leerling compositie van Johan Wagenaar aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Daarna vertrok hij naar Parijs en nam privé-lessen in piano bij Isidor Philipp, contrapunt bij Charles Koechlin en Roland Manuel en directie bij Pierre Monteux. Later studeerde hij nog directie bij Hermann Scherchen en bij Sem Dresden voltooide hij zijn muzikale studie in orkestratie.
Van 1946 tot 1956 was de Roos Cultureel Attaché aan de Nederlandse Ambassade te Parijs en in 1957 werd hij benoemd tot Eerste Secretaris voor Pers en Culturele Zaken aan de Ambassade te Caracas in Venezuela. In 1961 werd hij bovendien in dezelfde functie geaccrediteerd te Bogotá, Quito, La Paz en Lima; vervolgens was hij Ambassaderaad voor Culturele Zaken en Hoofd van de afdeling Voorlichting en Culturele Zaken aan de Ambassade te Londen.
Van 1967 tot 1973 was hij Ambassaderaad voor Pers- en Culturele Zaken te Buenos Aires, tevens geaccrediteerd te Asunción (Paraguay) en Hoofd van het Nederlands Informatie Bureau voor Latijns Amerika. In 1973 keerde de Roos terug naar Nederland.
Oorspronkelijk zocht Robert de Roos als componist een stijl, die nog zeer onder de invloed stond van de Duitse en Franse school, maar later wist hij zich voor een groot deel hiervan te bevrijden en vond hij een eigen stijl, die zich voornamelijk kenmerkte door een contrapuntische compositietechniek. In deze tijd schreef De Roos een aantal werken, die hij later weer uit de circulatie nam. Hij werd hiertoe gedwongen door de overtuiging dat men bij het scheppen van muziek geen enkel element van deze muziek kan verwaarlozen, een overtuiging en instelling, die hem uiteindelijk kleuriger en rijker deed componeren. De Variations sérieuses sur un thème ingénu, die hij in 1947 componeerde en opdroeg aan het Residentie Orkest zijn van deze laatste stijlperiode een duidelijk voorbeeld. Naast vele orkestwerken en concerten componeerde De Roos ook een opera in één acte Die Vision, kamermuziek o.a. Sextuor voor piano en blazers, liederen, muziek voor theater en enkele koorwerken. |
|
Daniël Ruijneman Daniël Ruyneman Daniël Ruijneman (bekend onder de Naam Ruyneman) (Amsterdam, 8 augustus 1886 - aldaar, 25 juli 1963) was een Nederlands componist. Hij was de zoon van Willem Ruijneman, ambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen en Femmigje Kel. Gehuwd sinds 17 mei 1918 met de zangeres Dina Becht. Na scheiding op 9 maart 1929 hertrouwd op 4 april 1929 met Maatje Martina Marinissen. Uit beide huwelijken waren geen kinderen. Daniel Ruyneman werd zich pas relatief laat bewust van zijn muzikale aanleg. Als kind kreeg hij pianolessen, maar omdat hij niet wilde oefenen werden deze al spoedig stopgezet. Nadat hij een tweetal zeereizen had gemaakt en vervolgens bij het Franse Bureau van de Nederlandse Spoorwegen in dienst was getreden begon hij zich echter op de muziek toe te leggen. Hij was toen 18 jaar.
Aanvankelijk wijdde hij zich - voornamelijk autodidactisch - aan de pianostudie. Later kreeg het componeren steeds meer zijn belangstelling. Zijn eerste compositieproeven dateren van omstreeks 1910. Op aanraden van Alphons Diepenbrock maar vooral ook door de steun van Julius Röntgen werd Ruyneman in 1913 ingeschreven als leerling aan het Amsterdams Conservatorium. Gedurende drie jaar volgde hij hier de compositie- lessen van Bernard Zweers. In 1916 legde hij het eindexamen af. Op zijn initiatief werd in 1918 in Amsterdam de Nederlandse Vereniging tot Ontwikkeling der Moderne Scheppende Toonkunst opgericht. Tot de leden behoorden de componisten Sem Dresden, Henri Zagwijn, Bernhard van den Sigtenhorst Meyer en Alexander Voormolen. Later sloot ook Willem Pijper zich aan. De Vereniging stelde zich ten doel om door middel van concerten en muziekuitgaven werk van Nederlandse componisten "der meest vooruitstrevende richting in ruime kring, allereerst in Nederland, later ook in het buitenland, bekend te maken", zoals in de circulaire staat te lezen die naar aanleiding van de oprichting werd verspreid. Deze doelstellingen werden slechts ten dele gerealiseerd. Weliswaar werden tussen 1918 en 1920 in verscheidene steden concerten met moderne Nederlandse kamermuziek gegeven maar de activiteiten van de vereniging bleven tot Nederland beperkt en tot de voornoemde uitgaven is het nooit gekomen. Na de officiële opheffing in 1924 ging de vereniging over in de inmiddels opgerichte Sectie Holland van de International Society for Contemporary Music (ISCM).
In 1920 verliet Ruyneman Amsterdam en vestigde zich in het toen in cultureel opzicht zeer levendige Groningen. Hier kwam hij in contact met een aantal jonge en vooruitstrevende beeldende kunstenaars (o.a. Jan Wiegers, Johan Dijkstra, Jan Altink en J.G. Jordens) die zich in 1918 onder de naam De Ploeg aaneengesloten hadden. Tot deze kunstenaarsgroep die een belangrijke rol speelde bij de introductie van het Duitse Brücke-expressionisme in de Nederlandse schilderkunst behoorde ook de drukker en schilder Hendrik Nikolaas Werkman. Ruyneman werd muziekredacteur van het door Werkman uitgegeven en gedrukte Blad voor Kunst, een expressionistisch tijdschrift voor beeldende kunst, literatuur, toneel en muziek. Met het Groningse studenten-
muziekgezelschap Bragi dat hij van 1924 tot 1929 leidde gaf hij in 1925 de eerste scenische uitvoering in Nederland van de pantomime Le Boeuf sur le Toit waarvoor Jean Cocteau het scenario had geschreven en Darius Milhaud de muziek. In 1928 richtte Ruyneman in Groningen de Vereniging voor Moderne Kamermuziek op die zich ten doel stelde om "die werken uit te voeren die in een essentieel verband staan met de tijd waarin wij leven", zoals Ruyneman het formuleerde.
Omstreeks 1930 kwam het zwaartepunt van Ruynemans activiteiten weer in Amsterdam te liggen. In dat jaar organiseerde hij in het Amsterdams Muzieklyceum een serie van vier belangwekkende concerten, waarin een overzicht werd gegeven van moderne Duitse, Tsjechische en Oostenrijkse kamermuziek. Deze concerten vormden de eigenlijke aanleiding tot de oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Hedendaagse Muziek. Ruim dertig jaar lang, vanaf de oprichting in 1930 tot 1962, was Ruyneman - hij vestigde zich in 1933 definitief in Amsterdam - de stimulerende kracht van deze vereniging die zich geheel richtte op het propageren van eigentijdse muziek. Met het buitenland werden intensieve contacten onderhouden: door samenwerking met de door de Weense dirigent en componist Hans Pless opgerichte Foundation for International Exchange Concerts kwamen een aantal interessante uitwisselingsconcerten tot stand. Van 1931-1941 verscheen het door Ruyneman geredigeerde en voor Nederland unieke tijdschrift Maandblad voor Hedendaagse Muziek. Gedurende enkele jaren (1947-1950) was Ruyneman bestuurslid van de Sectie Holland der ISCM. Van 1952 tot aan zijn dood had hij de artistieke leiding van de Stedelijk Museum Concerten in Amsterdam.
Het belang voor het Nederlandse muziekleven van Ruynemans organisatorische werk is groot geweest. In feite was hij de enige die zich op deze wijze voor de moderne Nederlandse en buitenlandse muziek inzette. Juist die componisten en die werken werden door hem aan de orde gesteld die buiten het gangbare repertoire vielen van het gevestigde muziekbedrijf dat onvermoeibaar diensten bewees aan het muzikale verleden en volledig faalde ten opzichte van de muziek van de eigen tijd.
Dat Nederland in de componist Daniel Ruyneman een uitzonderlijke verschijning bezat, een componist die open stond voor radicale vernieuwings-tendensen en deze zelf ook vertegenwoordigde werd voor het eerst duidelijk in 1918 toen zowel zijn koorwerk De Roep als het instrumentale werk Hiërogliefen het publiek door hun moderniteit choqueerden. Beide werken hebben gemeen dat in hen het element klankkleur een opvallend grote rol speelt. In De Roep - de ondertitel luidt: 'kleurengamma voor gemengde stemmen' - wordt niet een tekst gezongen maar verschillende vocalen en consonanten; het tweede stuk is geschreven voor de even ongebruikelijke als kleurrijke bezetting van drie fluiten, celesta, harp, piano, cupbells, twee mandolines en twee gitaren. (De cupbells, chromatisch gestemde komvormige klokken die in Engeland waren vervaardigd, gingen verloren bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940. Het instrument kan worden vervangen door een vibrafoon.) In Ruynemans liederen uit deze periode is een maatindeling dikwijls achterwege gebleven. Wat de teksten betreft is zijn voorkeur voor oosterse poëzie alsook voor die van het Franse symbolisme opvallend.
Wanneer het element klankkleur in Ruynemans composities sinds het midden van de jaren twintig minder op de voorgrond treedt dan voorheen betekent dit niet dat hij de geest van zijn vroegere werk verloochende. Onorthodox is hij altijd gebleven. Wél valt een toenemende aandacht te constateren voor de muzikale vormgeving. Deze wending manifesteert zich in werken als de Sonate voor viool solo (1925), het Divertimento voor fluit, klarinet, altviool, hoorn en piano (1927) en in zijn Kleine Sonate voor piano (1928). Neoclassicistische tendensen zijn te bespeuren in het Concert voor viool en orkest (1941), het Nightingales quintet voor blaaskwintet (1949) en in zijn Symfonie uit 1953. Een nieuwe stilistische periode in het oeuvre van Ruyneman begint na het midden van de jaren vijftig. In dit verband kan gewezen worden op zijn vier Réflexions (1959-1961). Deze composities voor verschillende kamermuziekbezettingen vormen zowel een verbinding met de eerste periode van zijn scheppend werk als met nieuwe compositorische technieken die in de Europese muziek sinds omstreeks 1950 waren ontwikkeld.
Werken voor strijkers
*Eerste sonate voor viool en piano in g (1914)
*Klaaglied van een slaaf (lamentation du Mamelouk) voor viool en piano (1917)
*Tweedse Sonate voor viool solo (1925)
*Divertimento voor fluit, klarinet, altviool, hoorn en piano (1927)
*Concert voor viool en orkest (1941)
*Douleur composée pour violon et piano par Danny Ruyneman (opgedragen aan Louis Bouwmeester)
Collectie-Ruyneman in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.
Behalve een aantal artikelen in verschillende tijdschriften publiceerde Ruyneman de monografie De componist Jan Ingenhoven (Amsterdam, 1937). Vrijwel het gehele oeuvre van Ruyneman staat vermeld in de General Catalogue: Dutch Contemporary Music (Amsterdam, 1977), Uitgerij Donemus.
|
|
Nico Schuyt Titelpagina van Schuyt's beroemde Allegro e Passacaglia Nico Schuyt werd op 2 januari 1922 te Alkmaar geboren. Hij overleed op 25 januari 1992 in Amsterdam.
Opleiding Muziekonderricht ontving hij van de componist Jakob van Domselaer (piano, harmonie), Eberhard Rebling (piano) en later van Willem Hijstek (theorie) en compositie van Bertus van Lier.
Activiteiten Gedurende de periode 1964-1977 was aan hem de leiding van de afdeling documentatie van de stichting Donemus toevertrouwd. Van 1972 tot 1975 was hij voorzitter van het Genootschap van Nederlandse Componisten (GeNeCo). Zijn niet aflatende inspanningen, in actiecomités, commissies en besturen, om bij de overheid erkenning te krijgen voor het beroep van componist, resulteerden uiteindelijk in de oprichting van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst in 1982.
Composities Zijn oeuvre omvat orkest- en koorcomposities, kamermuziek, liederen en balletten, en daarnaast een aantal werken voor amateurmusici, waaronder de schoolopera De varkenshoeder (1951), Sonatine per orchestra giovanile (1961) en Hymnus per orchestra (1966). Andere belangrijke werken zijn Discorsi capricciosi (1965) en Quasi in modo di valzer per orchestra (1973).
Composities voor strijkers
Allegro e passacaglia per violino e pianoforte (opgedragen aan de bekende Nederlandse violiste Jeannelotte Herzberger en de pianist Maarten Bon) |
|
Leo Smit Leo Smit, belangrijk Nederlands componist Leopold (Leo) Smit (Amsterdam, 14 mei 1900 - Sobibór, 30 april 1943) was een Nederlands componist en pianist van Portugees-joodse afkomst, gedood tijdens de holocaust.
Leo Smit stamde uit een Portugees-joodse familie met een muzikale achtergrond. Hij werd geboren in de Plantagebuurt in Amsterdam, op geringe afstand van de Hollandse Schouwburg, die tijdens de Tweede Wereldoorlog het trieste verzamelpunt voor joodse Nederlanders op weg naar deportatie zou worden. Zijn vader zat in de leerhandel. Leo was voorbestemd om rechten te gaan studeren, maar zijn prestaties op school waren matig; hij was meer geïnteresseerd in muziek. In 1916 schreef hij al zijn eerste compositie.
Hij ging na het (onafgemaakte) Barlaeus gymnasium een jaar naar de voorbereidende Muziekschool en in 1919 naar het Amsterdams Conservatorium, waar hij piano studeerde bij Sem Dresden en Ulfert Schults en later compositie bij Sem Dresden en Bernard Zweers. Hij was de eerste student aan dit conservatorium die (in 1924) cum laude het einddiploma compositie behaalde. Smit componeerde toen al volop, schreef in 1922 bijvoorbeeld zijn bekende orkestwerk ´Silhouetten´, dat bij het Concertgebouworkest in premiere ging. Net afgestudeerd kon hij in hetzelfde jaar als hulpdocent les gaan geven in harmonieleer en muziekanalyse, maar de verstandhouding met Dresden was niet best. Leo vervulde nog zijn militaire dienstplicht maar in 1927 gaf hij zijn docentschap op. Inmiddels had hij al succesvolle stukken geschreven, zoals het Voorspel voor ‘De Vertraagde Film’. Als zoveel Nederlandse componisten was hij zeer onder de indruk van de nieuwe Franse muziek van o. a. Maurice Ravel en de van oorsprong Russische componist Igor Strawinsky. In 1927 vertrok hij naar Parijs.
Parijs In Parijs stortte hij zich weliswaar in het muziekleven dat zich naast de concertzalen ook in de café´s afspeelde, maar hij hoefde niet echt aan de weg te timmeren. Onafhankelijk dankzij financiële steun van zijn ouders, had hij tijd om te componeren. Werk van hem werd ook wel uitgegeven en uitgevoerd, maar hij bleef toch erg op Nederland gericht, ging regelmatig op bezoek. In 1929 ging zijn compositie Shemselnihar (balletmuziek) en in 1934 het Harpconcertino (met Rosa Spier) in premiere, beide keren in het Concertgebouw. Leo Smit heeft in Parijs zijn eigen stijl ontwikkeld, van aanvankelijk zeer Frans-geörienteerd naar meer intellectueel en sober. In de periode tot 1940 schreef hij een aantal grotere werken: het Sextuor (1932), de Symfonie in C (1936), het Pianoconcert (1937) en het Altvioolconcert (1940). Terugkeer Maar inmiddels was Leo Smit in 1933 in Nederland getrouwd met Lientje de Vries, die hem naar Parijs volgde. Na nog een jaar in Brussel te hebben gewoond, vestigden zij zich in 1937 weer in Amsterdam, waar Leo privélessen ging geven in piano, theorie en compositie: hij had een omvangrijke leerlingenpraktijk. Leo was bevriend met een aantal bekende musici, zoals de mezzo-sopraan Jo Immink, altviolist Juup Raphaël en de componisten Daniël Ruyneman en Karel Mengelberg. Zijn naam in Nederland was voorgoed gevestigd, zijn muziek werd ook voor de radio uitgevoerd. Bezetting De anti-joodse maatregelen verergerden geleidelijk, ook in het muziekleven. In 1941 mochten joodse musici niet meer in het openbaar optreden, daarna zelfs hun vak niet meer uitoefenen. Bij Leo Smit bleven de niet-joodse leerlingen geleidelijk weg. Hij en zijn vrouw Lientje werden in december 1942 gedwongen van hun huis in de Eendrachtstraat naar het tijdelijke Judenviertel in de Transvaalbuurt te verhuizen, een tussenstation voor de Hollandse Schouwburg, waarheen ze in maart 1943 werden overgebracht. Economisch geïsoleerd, bleef Smit tot het laatst toe componeren, vooral kamermuziek. Een aantal werken bleef onvoltooid.
Deportatie Begin april 1943 werden Leo en Lientje via de Hollandse Schouwburg op transport gesteld naar doorgangskamp Westerbork. Eind april werden zij rechtstreeks naar vernietigingskamp Sobibor afgevoerd, waar zij kort na aankomst zijn vermoord. Nalatenschap Smit had op het laatst zijn composities en schetsboeken nog op verschillende adressen in veiligheid kunnen brengen. Zijn leerling Frits Zuiderweg bracht alles uiteindelijk bijeen en gaf het archief en de partituren na de oorlog aan Leo´s zuster Nora Coppenhagen-Smit, die de onderduik had overleefd. In 1951 heeft zij de collectie afgestaan aan het Haags Gemeentemuseum, waar Nederlandse muziekcollecties worden bewaard en toegankelijk zijn (het huidige Nederlands Muziek Instituut). Sinds 1996 beijvert de Leo Smit Stichting zich het werk van Leo Smit te blijven uitvoeren.
Tien jaar later keerde hij terug naar Amsterdam, waar hij op 12 februari 1943 zijn laatste werk voltooide, de sonate voor fluit en piano. Op 27 april 1943 werd hij op transport gesteld naar Sobibór, waar hij op 30 april is omgebracht. Na zijn dood werd hij tijdelijk vergeten maar vanaf het eind van de jaren 80 werd zijn werk weer regelmatig uitgevoerd.
Composities voor strijkers 1926: Trio voor fluit, altviool en harp 1928: Kwintet voor fluit, viool, altviool, cello en harp 1937: Concertino voor cello en orkest 1938: Suite voor hobo en cello 1938: Trio voor klarinet, altviool en piano 1939-1943: Strijkkwartet (onvoltooid) 1940: Concert voor altviool en strijkorkest 12 februari 1943: Sonate voor fluit en piano; voor orkest bewerkt in 1989 door Willem Strietman
In samenwerking met het Joods Historisch Museum werd in 1995 een concert georganiseerd met werken van joods-Nederlandse componisten. Dit was zo succesvol, dat in 1996 postuum de Leo Smit Stichting werd opgericht. Zij organiseert regelmatig concerten in de Uilenburger Synagoge, en steeds vaker ook daarbuiten. Het eerste Uilenburger Concert vond plaats in oktober 1996, en was een duidelijk eerbetoon aan Leo Smit, maar de stichting schenkt ook aandacht aan andere joods-Nederlandse componisten.
Literatuur
De biograaf Jurjen Vis schreef een ontroerende en zeer nauwkeurige biografie over deze fascinerende Nederlandse toonkunstenaar die kan worden gerekend tot een van de belangrijke Nederlandse componisten van de eerste helft van de twintigste eeuw. De biografie verscheen onder de naam 'Silhouetten' in 2001 bij uitgeverij Donemus
CD Leo Smit - Kamermuziek en Orkestwerken. NM 93003 (4 CD Box)
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Carl Antoon Smulders Carl Antoon Smulders, een man met veel talenten Carl Antoon Smulders (Maastricht, 8 mei 1863 - Luik, 21 april 1934), ook wel Karl, Karel of Charles Smulders genoemd, was een Nederlands componist, pianist en romanschrijver, die de Belgische nationaliteit verkreeg. In 1902 trouwde hij met Anna Maria Charlotte Isabella Fouquet (geb. 4 januari 1861). Het huwelijk bleef kinderloos.
Jeugd Zijn ouders waren de uit Amsterdam afkomstige Frederik Smulders, pianotechnicus te Maastricht, en Anna Magdalena Voorgang. Hoewel zij een fascinatie voor pianotechniek deelden, had hij met zijn vader een slechte verstandhouding, waarvan hij naar eigen zeggen zijn hele leven last had. In 1878 ging de 15-jarige Carl studeren aan het Conservatoire Royal de Musique de Liège. Een van zijn eerste composities was een pianotrio, dat zo bij zijn leraren in de smaak viel dat hij werd vrijgesteld van de meeste lessen en apart compositieles voor koor kreeg van de directeur Jean-Théodore Radoux. Ook studeerde hij piano. In 1886 werd hem een gouden medaille toegekend voor zijn pianoconcert in a-klein. Zijn cantate Andromède werd in 1891 bekroond met de Brusselse Prix de Rome der 'tweede categorie', gedeeld met Guillaume Lekeu.
[bewerken]Successen
Smulders werd na zijn eindexamen in 1889 docent harmonieleer en aanvankelijk ook solfège aan hetzelfde conservatorium in Luik dat hem had opgeleid. Om deze aanstelling te kunnen verkrijgen liet hij zich naturaliseren tot Belg. Tot zijn studenten behoorden René Defossez en Benoît Franssen. Als componist kende hij een groeiend succes, mede dankzij de kennismaking met Alphons Diepenbrock, die in De Nieuwe Gids een artikel had gepubliceerd dat Smulders bijzonder aansprak[1]. Hij stuurde Diepenbrock prompt een partituur van zijn pianoconcert. Die gaf te kennen dat dit concert "het absolute karakter van echtheid" had. Deze wederzijdse complimenten leidden tot een jarenlange vriendschap. Smulders was in zeker opzicht een leidsman voor Diepenbrock, die als autodidact onzeker was over zijn compositorische vaardigheden. Omgekeerd heeft Diepenbrock, die zijn werk "een zonnegloren" noemde, veel bijgedragen aan de verbreiding van de muziek van de weinig op de voorgrond tredende Smulders.
Samen behoorden Diepenbrock en Smulders tot de weinige Nederlandse componisten die zich meer tot de Franse dan de Duitse muziek voelden aangetrokken. In Smulders' werk is dan ook een duidelijke invloed te bespeuren van de school vanCésar Franck, naast verwantschap met de muziek van Edvard Grieg. Hij voelde zich sterk verwant met Francks leerling en vriend Guillaume Lekeu, met wie hij eveneens bevriend raakte. Diens vroege dood in 1894 was een slag die de naar somberheid neigende Smulders moeilijk te boven kwam.
Op 30 april 1896 speelde Smulders zijn pianoconcert in het Amsterdamse Concertgebouw onder leiding van Willem Mengelberg. Het was een succes, maar de componist, die openbare optredens schuwde, ambieerde geen verdere uitvoeringen. Mengelberg waardeerde zijn muziek echter zeer en voerde met het Concertgebouworkest ook de meeste andere orkestwerken van hem uit, waaronder Chant d'amour en Rosch-Haschana (met de cellist Isaac Mossel) bij het ‘Nederlandsch Muziekfeest’ in 1902. Eerder al had Mengelberg de Amsterdamse première gegeven van de instrumentale delen uit Andromède, die aan hem waren opgedragen: Danse des Éthopiens en Marche Solennelle. Andere voorvechters waren Wouter Hutschenruyter, die het Utrechts Stedelijk Orkest dirigeerde in diverse composities van Smulders, en Jan Ingenhoven, die werk van hem liet horen op het 'Hollands muziekfeest' in München in 1906.
Andere talenten
Smulders was veelzijdig getalenteerd. Net als zijn vader deed hij diverse uitvindingen op het gebied van pianotechniek, zoals een pédale expressive waarmee het timbre of de geluidssterkte van een reeds aangeslagen toon veranderd kon worden. Hij beschreef de werking in zijn geïllustreerde brochure La nouvelle mécanique du piano. Het pedaal werd door de Parijsepianobouwer Gaveau op een aantal vleugelpiano's toegepast. Beroemde pianisten als Paderewski, Cortot, De Greef enBackhaus en de dirigent Monteux lieten zich er lovend over uit en ook de zeer muziekminnende koningin Elisabeth van Belgiëhad zo'n piano in haar bezit.
Niet alleen schaafde Smulders voortdurend aan het mechaniek van de piano, maar ook aan zijn eigen pianistische techniek. Zo liet hij van zijn beide handen de pees die de vingers verbindt operatief doorsnijden om soepeler te kunnen spelen.
Smulders had ook literair talent, bewonderde de Tachtigers, correspondeerde met Herman Gorter en vertaalde sonnetten vanJacques Perk in het Frans. Hij schreef in de jaren 1906-13 een viertal Franstalige romans, waarmee hij aanzienlijk succes had. In de jaren van de Eerste Wereldoorlog, die hij in Nederland doorbracht, componeerde hij vooral liederen om de Belgischekrijgsgevangenen te ondersteunen. Bij het eeuwfeest van het Luikse conservatorium in 1926 werden voor een enthousiast publiek diverse werken van hem uitgevoerd. Hij bleef er werkzaam tot aan zijn pensionering, toen hij werd opgevolgd doorArmand Marsick en Louis Lavoye.
Laatste jaren
Door zijn neiging tot depressiviteit en defaitisme kwam Smulders' creativiteit geleidelijk tot stilstand. In zijn laatste jaren was hij vrijwel vergeten. Hij stierf enkele weken voor zijn 71e verjaardag aan een leverkwaal.
Op 28 april 1936 werd in Maastricht een herdenkingsconcert voor hem georganiseerd door het Maastricht Stedelijk Orkest o.l.v. zijn oud-leerling Henri Hermans, met medewerking van de Mastreechter Staar.
Postuum
Van Smulders' muziek worden soms nog enkele werken voor mannenkoor, zoals La Mer, uitgevoerd door de Mastreechter Staar. Er bestaat een cd-opname van het pianoconcert. Ook Rosch-Haschana voor cello en orkest, beschouwd als zijn meest karakteristieke werk en zeer gewaardeerd door Pablo Casals, wordt af en toe ten gehore gebracht. Tot een 'Smulders-revival' is het echter nog niet gekomen. Zijn romans worden in Wallonië nog gelezen. In zijn geboortestad Maastricht is de Carl Smulderssingel naar hem genoemd.
Composities
Orkestmuziek
- Concert in a-mineur voor piano en orkest (1886), opgedragen aan Jean-Théodore Radoux.
- Rosch-Haschana, Prière pour violoncelle et orchestre (1898), opgedragen aan Arnold Vrijthoff.
- Adieu, Absence et Retour (1898), symfonisch gedicht, opgedragen aan Willem Mengelberg
- Chant d'amour (1900), symfonisch gedicht
- L'Aurore, Le Jour, Le Crépuscule, Hymne au Soleil (1902), symfonisch gedicht, opgedragen aan Sylvain Dupuis.
- Ymnis et Numaine (1904), ballade voor zangstem en orkest op tekst van Richard Ledent, opgedragen aan J.C. Hol.
Kamermuziek
- Trio voor piano, viool en cello (1880)
- Cantilene voor piano en viool (1894), voorstudie voor het onvoltooide symfonisch gedicht Hildhyllia, opgedragen aan Pieter van der Meer de Walcheren
- Sonate nr. 1 voor piano en viool (opgedragen aan Alphons Diepenbrock)
- Sonate nr. 2 voor piano en viool
Mannenkoor
- La Mer
- La Route
- Pater Noster
- Ave Maria
- Au Soleil
- Psaume
- Les Animaux malades de la Peste
- Cloches de France (1914)
- Vae Victus (1914)
- Fleurs de France (1914)
Solisten, koor, orkest
- Andromède, cantate (tekst van Jules Sauvenière) (1891)
- Omnium Gallorum fortissimi sunt Belgi (uit De bello Gallico van Julius Caesar)
Zangstem, piano
- Il pleure dans mon cœur (gedicht van Paul Verlaine) (1896)
- Drie liederen (1899):
- Dormir, jamais plus revivre (eigen tekst)
- Verloren (gedicht van "A. St.")
- Chanson d'Engaddi (gedicht van Tristan Klingsor)
- Les Cloches de Belgique (tekst van René Malherbe)
- Ceux qui pieusement sont morts pour la Patrie (tekst van Victor Hugo)
- Hymnus (opgedragen aan Aaltje Noordewier-Reddingius)
Romans
- Les Feuilles d'Or, conte fantastique (1906)
- La Correspondance de Sylvain Dartois (briefroman, 1907)
- La Ferme des Cladauderies (1910)
- Vers les Sommets (1913)
|
|
Louis Somer Louis Somer Louis Somer (Assen, op 13 mei 1901 - Groningen, 6 augustus 1966) was een Nederlands componist en violist
Opleiding Hij kreeg zijn eerste vioollessen van E. Clemens Schröner en studeerde vervolgens viool bij Alexander Schmuller en harmonie bij Bernard Zweers aan het Conservatorium van Amsterdam. Een staatsstipendium stelde hem vervolgens in staat zijn studie te voltooien bij Bram Eldering in Keulen en Lucien Capet in Parijs.
Activiteiten Louis Somer was van 1925 tot 1927 eerste concertmeester van het Philharmonisch Orkest in Stuttgart en van 1930 tot 1933 was hij concertmeester van het KRO-radio-orkest in Hilversum. Van 1946 tot 1959 was hij eerste concertmeester van de Groninger Orkest Vereniging. Als solist speelde Somer met de meeste Nederlandse orkesten. Hij introduceerde Nederlandse muziek in Parijs en was medeoprichter en leider van het Gronings Strijkkwartet. Hij trad op met o.a. Theo van der Pas, Gerard Hengeveld, George van Renesse en Felix de Nobel. Daarnaast was hij leraar aan het Conservatorium van Groningen.
Composities Als componist is Somer hoofdzakelijk autodidact. Voor orkest schreef hij o.a. Passacaglia en fuga (1941), Divertimento concertante, een Burlesque voor piano en orkest (1952) en het Vioolconcert (1951) dat op 18 januari 1952 in Groningen in première ging. Verder componeerde hij strijkkwartetten, een pianotrio, een vioolsonatine en andere kamermuziek.
|
|
Joop Stokkermans Joop Stokkermans Joop Stokkermans (Leiden, 20 februari 1937) is een Nederlands componist en pianist.
levensloop Na het conservatorium, waar hij piano en compositie studeerde, gaat Stokkermans in de leer bij de Franse meesterpianist Robert Casadesus in Parijs. In 1960 behaalt hij de Prix d'Excellence, de hoogste muzikale onderscheiding. In de jaren hierna componeert hij vele liederen in het genre van de lichte muziek. Zo heeft hij er een aantal geschreven voor de Nederlandse deelname aan het Eurovisie Songfestival, zoals Katinka (1962, laatste plaats) en De Tijd (1971, 6e plaats). Het jaar hierop verschijnt de eerste aflevering van de televisieserie Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?, waarvoor Stokkermans samen met tekstschrijver Harrie Geelen de muziek verzorgde. Na 45 afleveringen krijgen zij plotseling de opdracht ermee te stoppen en eindigt de serie abrupt. Wederom een jaar later componeert Joop de muziek van het nummer Dobbe Dobbe Dobbe, waarvoor hij de Louis Davidsprijs uitgereikt krijgt. Dit nummer werd gezongen door Jasperina de Jong voor wie Joop Stokkermans in de jaren daarna vele stukken componeerde. In 1974 ontving Joop de Gouden Harp voor zijn gehele oeuvre.
In hetzelfde jaar werkt hij wederom met Harrie Geelen samen aan de succesvolle jeugdserie Q en Q. Daarnaast componeert hij rond dezelfde periode de liedjes van de kinderserie De Bereboot die eveneens veel bekeken werd. Van 1976 tot 1978 werkt hij mee aan het succesvolle radioprogramma voor kleuters Radio Lawaaipapegaai. In de jaren '80 schrijft Stokkermans nog steeds veel muziek voor Jasperina de Jong en componeert hij muziek voor verschillende albums voor Kinderen voor Kinderen. Het daaropvolgende decennium bedenkt hij muziek voor de televisieseries De Zomer van '45 en In naam der Koningin (1996) en schrijft hij liedjes voor Paul de Leeuw en Rob de Nijs. Tevens schreef hij de muziek voor de televisieserie Het Wassende Water.
In het jaar 2000 wordt de serie Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?
als musical naar het theater gehaald, waar het veel belangstelling trekt. De muziek is wederom van Stokkermans. Ook in 2001 is zijn muziek in de theaters te horen, ditmaal in de musical Nijntje naar het werk van Dick Bruna. Op 8 december 2002 werd in het Luxor-theater in Rotterdam een hommage gegeven aan Joop Stokkermans onder de titel 'Van Hamelen tot Leverworst'. Dit eerbetoon was georganiseerd door de vele artiesten voor wie hij iets gecomponeerd heeft. Zo waren Paul de Leeuw en Loeki Knol aanwezig en ook Karin Bloemen, Gerard Cox en Mathilde Santing traden op. In 2004 kwam Nijntje weer terug in de theaters in de musical Nijntje is er weer, wederom met muziek van zijn hand. Ook verschijnt hij zelf op radio 4, met zijn radioprogramma 'Stokkermans Solo - een week in muziek', waarin hij door middel van zijn eigen muziekkeuze en aan de hand van opvallende krantenberichten de afgelopen week bespreekt. In november 2006 vond in Oss de première plaats van de allereerste Nederlandstalige operette waarvoor Joop Stokkermans de muziek componeerde. Dit was een kleinschalige productie in opdracht van Stichting Oss Cultureel met Maaike Widdershoven in de hoofdrol. Anno 2008 is Joop Stokkermans bezig met de muziek voor zijn nieuwste productie, Hotel Johanna. Wederom met Maaike Widdershoven in de hoofdrol en gesitueerd in Oss, start ook deze musical in november.
werken voor strijkers
Libra voor viool en piano |
|
Jan Pieterszoon Sweelinck Jan Pieterszoon Sweelinck Jan Pieterszoon Sweelinck (Deventer, [?] mei 1562 - Amsterdam, 16 oktober 1621) was een Nederlands componist, organist, klavecinist, muziekpedagoog, muziekorganisator en ensembleleider. Hij geldt als de belangrijkste Nederlandse componist van de vroeg-moderne geschiedenis.
Jan Pieterszoon Sweelinck was de oudste van drie kinderen van Pieter Sywertszoon (of Swibbertszoon) en Elsgen Sweling, dochter van de Deventer stadschirurgijn Johan Zwelick. De kinderen kregen de naam van hun moeder als achternaam vanwege de vooraanstaande positie van deze familie in Hanzestad Deventer. Vader Pieter was zoon van Swibbert van Keyzersweerd, een musicus die in de vroege 16de eeuw vanuit (het toen nog Nederlands-sprekende) Neder-Rijnland naar Deventer verhuisde, aldaar organist van de Grote of Sint Lebuïnuskerk werd en met zijn vrouw zeven kinderen kreeg, onder wie Pieter, zijn latere opvolger als organist van de Deventer stadskerk. In 1564 verhuisde Pieter Swibbertszoon met zijn familie naar Amsterdam waar hij organist werd van de belangrijkste kerk, de Oude of Sint Nicolaaskerk. Van Sweelincks vader noch van zijn grootvader zijn composities overgeleverd. In 1590 trouwde Jan Pieterszoon Sweelinck met Claesgen Puyner (?? - 2 januari 1637) uit Medemblik. Zij kregen zes kinderen: Dirk (1591-1652), Pieter (1593 - 1670), Dyeuwer (1596-1597), Ysbrandt (ca. 1600 - 1662), Jan (circa 1602 - 1662), en Elsge (1602-1664). Sweelinck leerde het klavierspel (orgel en klavecimbel) vermoedelijk van zijn vader Pieter die tot aan zijn dood in 1573 organist was aan de Oude Kerk. Pieter Swibbertszoon werd opgevolgd door Cornelis Boskoop. Aangenomen wordt dat Boskoop, in aansluiting op de dood van Pieter Swibbertszoon, de muzikale vorming van Jan Pieterszoon ter hand heeft genomen. In ieder geval is gedocumenteerd dat Sweelinck vanaf 1580 'voor vast' aan de Oude Kerk is verbonden (documenten uit de de tijd daarvoor zijn verloren gegaan). Uit een latere uitlating van zijn vriend Cornelis Plemp valt echter op te maken dat Sweelinck al in 1577, op 15-jarige leeftijd, als vaste organist aan de Oude Kerk verbonden was. Na de dood van zijn vader heeft Sweelinck vermoedelijk ook les gehad van Jan Willemszoon Lossy (ca. 1545-1629), stadsspeelman van Haarlem. Mogelijk ook van de organisten van de Grote of Sint Bavokerk, Claas Albrechtszoon van Wieringen en Floris van Adrichem die dagelijks speelden op het toenmalige grote orgel van de Haarlemse kerk.
Venetië Het is vooralsnog een raadsel bij wie Sweelinck zijn enorme vaardigheid in het componeren van met name zijn ensemblemuziek heeft ontwikkeld. Het hoge niveau van deze composities - waaronder meerstemmige toonzettingen van het gehele Geneefse psalter en van rooms-katholieke liturgische teksten en gezangen - kan niet terug te voeren zijn op uitsluitend zelfstudie. In dit verband kan grote waarde worden gehecht aan de mededeling van de 18e-eeuwse Duitse musicograaf Johann Mattheson dat Sweelinck in Venetië bij Gioseffo Zarlino gestudeerd heeft. Tegenwoordig zijn er onderzoekers die menen dat dit op een misverstand berust. Maar wel was Sweelinck in elk geval zeer goed bekend met de leerboeken over muziek van Zarlino. Sweelincks tractaat met compositieregels, dat door verschillende Duitse leerlingen werd afgeschreven en waarop zij en later hun leerlingen voortborduurden, blijkt gebaseerd op de derde druk van Zarlino's beroemde en wijd en zijd in Europa verspreide muziek- en compositieleer 'Istitutioni harmoniche'. Dat hij op jonge leeftijd (tussen zijn 11de en 15de levensjaar) voor studiedoeleinden in Venetië kan zijn geweest, staat namelijk niet op zichzelf. Van andere belangrijke zestiende eeuwse musici zoals Elias Nicolaus Ammerbach en John Bull weten wij dat zij eveneens op jonge leeftijd op studiereis gingen naar verre oorden; in hun geval naar Venetië en Spanje. Dit was in die tijd niet ongewoon. Bovendien, uit het beroemde Schilder-Boeck uit 1604 van Carel van Mander weten wij dat Sweelincks jongere broer, de kunstschilder Gerrit Sweling (1566-1612) voor studie in Italië is geweest, zoals zo veel Noord- (en Zuid-)Nederlandse kunstschilders dit deden in die tijd. Het valt niet uit te sluiten dat Gerrit dit in gezelschap van zijn oudere broer Jan heeft gedaan. De Italiaanse studiereis van de Sweelincks kan zijn georganiseerd (en bekostigd) door Italiaanse kooplieden in Amsterdam die behoord hebben tot het relatienetwerk van zijn overleden vader. Tussen de handelssteden Amsterdam en Venetië bestonden intensieve contacten door de gehele 16de, 17de en de vroege 18de eeuw heen. Een andere aanwijzing van Sweelincks pedagogische betrekkingen met Venetië - in persoon en/of door analyse van composities die in deze stad ontstaan zijn - is te vinden in zijn klavieroeuvre. Zijn toccata's en fantasia's zijn in stilistisch opzicht nauw verwant met klaviercomposities van Andrea Gabrieli, organist van de staatskerk van Venetië, de San Marco. Sweelincks reputatie in Amsterdam was zeer groot. Hij had de bijnaam de Amsterdamse Orpheus en verkeerde o.a. onder rijke en ontwikkelde kooplieden in Amsterdam, en in de Muiderkring. Na zijn dood zou de oudste zoon Dirck Janszoon Sweelinck zijn vader opvolgen als organist van de Oude Kerk in Amsterdam.
Werken en invloed Sweelinck was als componist en als muziekpedagoog tot ver buiten de landsgrenzen bekend en beroemd. Reeds tijdens zijn leven verschenen vele van zijn vocale werken in druk en verspreidden zich over geheel Europa. Van alle reizen die Sweelinck gemaakt heeft, staat er slechts een naar het buitenland geregistreerd: zijn dienstreis naar Antwerpen in 1604, bekostigd door de stad Amsterdam, waar hij bij de klavecimbelbouwers Ruckers in opdracht van het Amsterdamse stadsbestuur een nieuw klavecimbel kocht. Het beschilderde deksel van dit stadsklavecimbel is bewaard gebleven. Opmerkelijk genoeg zijn tijdens Sweelincks leven geen, meestal in Duitse handgeschreven bronnen overgeleverde, klavierwerken (orgel, klavecimbel) uitgegeven. Wel verzorgde zijn oud-leerling Samuel Scheidt de uitgave van een verzameling van driestemmige fantasieën, daarvan is tot nog toe geen enkel exemplaar in een bibliotheek of archief aangetroffen. Sweelinck moet niet alleen voortreffelijk musicus zijn geweest: over zijn talenten als briljant improvisator aan het klavecimbel en op orgel werd bij zijn leven reeds hoog opgegeven. Maar ook ging een sterke roep van hem uit als muziekpedagoog. Vooral uit noordelijk Duitsland stroomden leerlingen naar Amsterdam toe om bij Sweelinck het orgelspel en compositie te leren. Dit gebeurde in de periode van het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hierdoor oefende hij grote invloed uit op de ontwikkeling van de orgelmuziek in noordelijk Duitsland. Zijn invloed zou zelfs reiken tot aan de jonge Johann Sebastian Bach die in de orgelmeesters Johann Adam Reincken uit Hamburg en in Dieterich Buxtehude uit Lübeck - die zelf leerlingen waren geweest van Sweelincks oud-leerling Heinrich Scheidemann - inspirerende voorbeeldfiguren vond.
Leerlingen van Sweelinck waren onder andere: Sweelincks zoon en later opvolger aan de Oude Kerk in Amsterdam Dirck Janszoon Sweelinck, de Deventer organist Lucas van Lenninck die de eerste leraar was van de eveneens in Deventer geboren Jan Adamszoon Reinken (in Duitsland: Johann Adam Reincken), de blinde Utrechtse Domorganist Gerrit Wijerszoon en de eveneens blinde Pieter de Vooys uit Den Haag. Andere Nederlandse Sweelinck-leerlingen zijn: Barend Andriessen uit Zwolle en Jan Pieterszoon Rijnsburg, organist van de Sint Peterskerk in Leiden. Uit Duitsland: onder andere Jacob Praetorius II, Paul Siefert, Heinrich Scheidemann, Samuel en Gottfried Scheidt en Melchior Schildt. Doordat op zeker moment alle organistenplaatsen van de grote stadskerken van Hamburg bezet werden door oud-leerlingen van Sweelinck, kreeg de Amsterdamse musicus in Noord-Duitsland de erenaam Hamburgs organistenmaker. Het is aan deze groep hoogbegaafde jonge Duitse musici te danken dat een belangrijk deel van Sweelincks klaviercomposities bewaard bleef: door middel van handgeschreven kopieën die zij van compositie-originelen van hun leraar zelf, respectievelijk van afschriften daarvan uit diens leerlingenkring vervaardigden. In Nederland zelf is vrijwel geen handschrift met klaviercomposities van Sweelinck (als autograaf of in kopie) bewaard gebleven. Van Sweelinck zijn meer dan 70 composities voor 'klavier' (orgel, klavecimbel) overgeleverd. De belangrijkste hiervan zijn: 13 Koraalvariaties, over melodieën uit het Geneefse Psalter, uit de Luthers-protestantse kerkliedtraditie en uit het Gregoriaans. (waaronder "Puer nobis nascitur", "Onse Vader in Hemelrijck", "Erbarm dich mein, o Herre Gott", "Allein Gott in der Hoh' sei Ehr", "Nun freut euch, lieben Christen gmein", "Christe qui est lux et dies", "Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ"). 14 Monothematische fantasieën, waaronder de beroemde chromatische fantasie. 6 Echofantasieën. 15 Toccata's 8 Variatiereeksen over wereldlijke liederen (waaronder "Unter der Linden grune", "Est-ce Mars?", "Ick voer al over Rhijn", "Mein junges Leben hat ein End") Ballo del granduca (variatiereeks) Engelsche fortuyn (variatiereeks) More palatino (variatiereeks) In deze werken verbond Sweelinck variatiekunst en de virtuoze stijl van de Engelse virginalisten - hij was persoonlijk bekend, mogelijk zelfs bevriend, met naar de zuidelijke Nederlanden gevluchte Engelse musici Peter Philips en John Bull - met de Spaanse orgelstijl en met die van Italiaanse meesters als Andrea Gabrieli en ook Claudio Merulo. Hierdoor ontwikkelde Sweelinck een geheel eigen stijl waarin zin voor het hechte constructie, helderheid, terughoudendheid maar ook geestigheid kenmerkend zijn. De fantasieën vertonen al veel kenmerken van de klassieke fuga en kunnen als voorlopers ervan worden beschouwd. Het gebruik van echo's in de muziek was rond 1600 vrij populair in de klassieke muziek. Ook Sweelinck heeft aan dit genre bijdragen geleverd. In de Oude Kerk beschikte Sweelinck over een orgel uit 1539 met drie manualen en pedaal dat volop mogelijkheden bood om deze effecten te realiseren. Sweelinck is de eerste componist waarvan bekend is dat hij de echo-mogelijkheden die veel orgels al sinds het einde van de 15e-eeuw boden, op deze wijze benutte. Als organist van de Oude Kerk was Sweelinck in dienst - als 'stadtmusicyn' - van het gemeentebestuur van Amsterdam. Dit betekende dat hij alleen voor en na kerkdiensten het orgel van de Oude Kerk diende te bespelen, maar niet tijdens. De protestantse samenzang - gebaseerd op het 'Geneefse Psalter' in een Nederlandse vertaling - weerklonk in zijn tijd zonder orgelbegeleiding. Een voorzanger met krachtige stem leidde de meestal massale samenzang tijdens kerkdiensten. Buiten kerkdiensten verzorgde hij in het monumentale gebouw doordeweekse orgelbespelingen, die in de loop van de tijd uitliepen op concerten met meerdere musici in ensemblevorm. Voor dit doel werd lang na Sweelincks dood onder het grote orgel van de Oude Kerk een aparte podiumtribune gebouwd, waarop onder andere stadsmusici (die in vaste dienst van Amsterdam waren) regelmatig musiceerden. Deze burger-concertpraktijk in de Oude Kerk - waardoor de eerste 'burgerconcertzaal' van heel noordelijk Europa tot stand kwam - heeft grote gevolgen gehad op de ontwikkeling van de klassieke muziek. Kooplieden, onder andere uit het Oostzeegebied, die in Amsterdam regelmatig vertoefden zetten deze Amsterdamse burger-concertpraktijk in een monumentale kerk voort in eigen woon- en leefsituaties. Het ontstaan van de zogeheten 'Abendmusiken' in de Marienkirche in Lübeck - waarmee altijd de naam van Sweelincks 'kleinzoon-leerling' Dieterich Buxtehude historisch verbonden zal zijn - is direct op de concertpraktijk van orgelvirtuoos en ensembleleider Jan Pieterszoon Sweelinck (en zijn opvolgers) in de Oude Kerk van Amsterdam terug te voeren. In het milieu van rijke, kunstlievende en intellectueel-geaarde kooplieden trad Sweelinck regelmatig in ruime Amsterdamse grachtenpanden op; ofwel als klavecimbelvirtuoos dan wel als leider van een Collegium Musicum ter plekke. Zijn ensemblecomposities op Franse en Italiaanse teksten waren in aanleg bedoeld voor min of meer vaste groepen van goed-muzikaal ontwikkelde muziekliefhebbers uit dit milieu. Sweelincks ensemblewerken - in aanleg voor zangstemmen bedoeld - zijn in zekere zin veel minder vernieuwend en staan nog geheel in de traditie van de Nederlandse School. Zijn ruim 250 vocale ensemblewerken - solistisch bezet - kunnen als volgt ingedeeld worden: Vier verzamelingen van stemboeken die a capella bewerkingen voor vier tot acht stemmen behelsen van alle oorspronkelijke Franstalige psalmliederen uit het 16de eeuwse Calvinistisch-protestantse psalmgezangboek. De Cantiones Sacrae voor vijf stemmen, op teksten uit de Rooms-katholieke liturgie, waaraan de uitgever, om voorkoopbaarheidswille, een basso continuopartij toevoegde. De Rîmes (bevat deels bewerkingen van Italiaanse madrigalen van andere componisten), Chansons en Madrigalen op wereldlijke Franse en Italiaanse teksten. Gelegenheidscomposities: canons en bruiloftsmotetten.
In het biografische muziekwoordenboek Grundlage einer Ehren-pforte (1740) van Johann Mattheson valt in de hoofdstukken over Sweelincks leerlingen Jacob Praetorius II (hier Schulz geheten) en Heinrich Scheidemann te lezen (hier in vertaling): Toen hij (d.i. Jacob Praetorius II) vernam dat in Amsterdam een voortreffelijke organist was, verlangde hij om daar naartoe te reizen en door hem te worden onderwezen. De kerkraad van de Sankt Jacobikirche (in Hamburg) moedigde hem daartoe aan en beloofde de helft van de kosten te zullen dragen. Het was de beroemde Jan Pieterszoon Sweelinck bij wie hij in de leer ging en die hem onder andere een geheel eigen manier van vingerzettingen leerde die toen heel ongebruikelijk was maar zeer goed. Schulz nam Sweelincks gebruiken en houding over die bijzonder aangenaam en achtenswaardig waren. Zo speelde hij zonder het lichaam veel te bewegen waardoor het leek alsof het moeiteloos gebeurde. Zijn natuurlijke wezen - ernstig, ordentelijk en bescheiden - was hem daarbij zeer behulpzaam. Het was niet alleen een lust om hem te horen, maar ook om hem te zien wanneer hij aan het orgel zat. Hans Scheidemann, de wakkere organist van de Sankt Catharinenkirche (in Hamburg), stuurde in dezelfde tijd zijn zoon Heinrich naar Holland. Zo kwamen de twee jonge, ambitieuze Hamburgers samen in Sweelincks school. Zij studeerden om het hardst, wat de meester zeer verheugde.
Sweelinck's orgels Sweelinck speelde en componeerde in een tijd waarin algemeen de middentoonstemming in gebruik was, een stemming met in de gangbare toonsoorten vrijwel reine (trillingsvrije) tertsen. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig orgels in deze stemming, zodat een historische uitvoering van Sweelincks werken tot de zeldzaamheden behoort. Veel van de levendigheid van de middentoonstemming gaat verloren bij een uitvoering in een moderne stemming, waarin de karakteristieke verschillen tussen de toonsoorten zijn verdwenen. In Sweelincks tijd stonden in de Oude Kerk tenminste twee orgels: het grote orgel met drie manualen (of handklavieren) tegen de toren- of westwand, dat tussen 1539 en 1545 door Hans van Keulen, Hendrik en Hermann Niehoff en Jasper Janszoon was gebouwd. En een tweemanualig koororgel dat in de jaren 1544 en 1545 door de Hendrik Niehoff en Jaspar Janszoon was gebouwd.
Het portretschilderij dat van Jan Pieterszoon Sweelinck is overgeleverd (geplaatst bij dit artikel) - in het bezit van het Gemeentemuseum in Den Haag - is van de hand van zijn broer Gerrit, het dateert uit 1606. Daarop zijn de handen van de musicus duidelijk afgebeeld met, net buiten de ovalen context van de afbeelding, twee uitgestrekte vingers. Volgens rhetorisch-iconografische symboolcodes van die tijd is de boodschap hiervan 'luister naar mij'.
Religie Het is onduidelijk of Sweelinck ooit daadwerkelijk Protestants en Calvinist is geworden. Hij werd als katholiek geboren en opgevoed, en zijn vader stond als organist en kerkmusicus geheel in de rooms-katholieke traditie. Sommige auteurs menen dat zijn Cantiones bewijs van zijn blijvende katholieke sympathieën vormen, evenals zijn verbondenheid met de uitgesproken bekeerling tot het katholicisme: Joost van den Vondel. Sweelinck is volgens sommige historici binnen de Nederduytsch Gereformeerde kerken vanwege zijn grote talent in muziek en kerkzang (die ook onder sommige katholieken in de volkstaal reeds langer gebruikelijk was) altijd benoemd gebleven. Zijn persoonlijke theologische opvattingen speelden daarbij een ondergeschikte rol. |
|
Herman StrategierJohan Herman Strategier (Arnhem, 10 augustus 1912 - Doorwerth, 26 oktober 1988) was een Nederlands componist, muziekpedagoog, dirigent en organist.
Strategier ontving zijn eerste opleiding van J. J. Ruygrok te Arnhem. Na de middelbare school volgde een muziekvakstudie aan de RK Kerkmuziekschool St. Caecilia - thans Nederlands Instituut voor Kerkmuziek - te Utrecht, onder ander piano bij Phons Dusch orgel en compositie bijHendrik Andriessen en muziektheorie bij Johan Winnubst. Hij behaalde het laureaat in 1932. Hierna was hij werkzaam als dirigent en/of organist aan kerken te Nijmegen, Arnhem, Zeist en aan de Sint-Catharinakathedraal Utrecht. Hij is van 1959 tot 1973 dirigent geweest van het Nederlands Madrigaalkoor te Leiden. Naast deze activiteiten was hij vanaf 1946 tot 1965 werkzaam als docent algemene vakken aan het Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek (NIKK) en als docent muziektheorie aan het Utrechts Conservatorium, het Rotterdams Conservatorium en aan de Universiteit Utrecht.
Met Jan Mul en Albert de Klerk behoorde hij tot de groep 'Trium Puerorum', zo genoemd naar aanleiding van de Missa Trium Puerorum, welke door deze drie componisten samen werd geschreven bij de vijftigste verjaardag van hun leraar Hendrik Andriessen.
Enkele van Herman Strategiers tien kinderen zijn net als hun vader werkzaam in de creatieve sector. Acteur Felix Strategier maakte onder meer deel uit van de Gebroeders Flint, Regien Strategier is image-consultant, kleur- en stijladviseur, Michiel Strategier is componist en pianostemmer.
Composities voor strijkers
1936 Strijkkwartet
1978 Sonata da camera, voor dwarsfluit, hobo (ook: althobo), viool, altviool, cello en piano
|
|
|