Welkom op de pagina Nederlandse en Vlaamse componisten II. De teksten op deze pagina zijn al dan niet in bewerkte vorm afkomstig van o.a. de websites van Donemus, Wikipedia en de Leo Smit Stichting. Een aantal teksten is geschreven door Vioolschool Sillem.
Jan Ingenhoven (Breda, 29 mei 1876 - Hoenderloo, 20 mei 1951) werd geboren in een familie van begaafde amateurmusici. Zijn vader, een bakker, speelde hobo en viool en een oom speelde verdienstelijk saxofoon. Jan speelde al vroeg klarinet en zong in een koor. Al op vroege leeftijd was hij koordirigent in Breda en Dordrecht. In 1902-03 studeerde hij harmonieleer en compositie bij Ludwig Felix Brandts Buys en in 1906 bij Felix Motti in München. Na zijn huwelijk in 1905 met Johanna Hermine Frantzmann vestigde hij zich op advies van Bernard Zweers in München en studeerde daar verder bij Felix Mottl, die hem inwijdde in de muziek van Wagner. In München organiseerde hij in 1906 een 'Hollands muziekfeest' met werk van Alphons Diepenbrock, Johan Wagenaar, Charles Smulders en zichzelf. In de jaren 1906-09 dirigeerde hij de Münchner Orchester Verein en het Philharmonisch Orchester. In 1909-12 leidde hij de Münchner Madrigal Vereinigung, een vermaard ensemble van solisten waarmee hij tal van succesvolle tournees door Europa maakte. Ook werd hij in heel Europa regelmatig uitgenodigd voor gastdirecties, o.a. door het Residentie Orkest. Hij specialiseerde zich in de muziek van Mozart maar introduceerde ook een baanbrekend werk als Debussy's Prélude à L'après-midi d'un faune in Nederland en werken van Diepenbrock in het buitenland zoals de eerste buiternlandse uitvoering van Diepenbrock's 'Vondel's Vaart naar Agrippina'.
In zijn vroege jaren schreef Ingenhoven orkestwerken en kamermuziek in een laatromantische stijl die verwantschap vertoont met die van Franz Schmidt, Richard Strauss en Alexander Zemlinsky. Zijn koormuziek uit diezelfde periode is origineler. Uit zijn voorkeur voor ingewikkelde polyfonie blijkt invloed van zowel de renaissancemuziek als die van zijn tijdgenoot Max Reger. De jaren na 1915 bracht hij door in Zwitserland aan de Thunersee en in Parijs. De Franse muziek, vooral die van Debussy, maakte grote indruk op hem en had enige enige invloed op zijn stijl, vooral waar het de klankkleur betreft. Toch toonde hij een sterk eigen karakter dat o.a. in de vaak toegepaste polymetriek, de compacte polyfonie en zijn gevoel voor klankkleur tot uiting komt. Zijn werk keerde zich in toenemende mate af van de romantiek en vertoont een moderne 'objectieve' stijl met een doorzichtig klankbeeld. Ingenhoven werd vooral op het terrrein van de koormuziek als zeer vooruitstrevend beschouwd. Ondser zijn composities tellen we veel kamermuziekj en werken voor koor (zowel a capella als met begeleiding) doch weinig werken voor orkest. Tot de laatste categorie behoort het werk de 'Symphonische Fantasie über Zarathustra's Nachtlied'. Na de dood van zijn echtgenote in 1929 heeft Ingenhoven nauwelijks meer gecomponeerd, al zijn enkele onvoltooide fragmenten uit de jaren veertig bewaard gebleven. In 1937 schonk hij zijn Zwitserse huis aan de Nederlandse Vereniging voor Hedendaagse Muziek. Hij woonde korte tijd in Darmstadt, maar vestigde zich eind jaren dertig weer in Nederland. Hij leidde een teruggetrokken bestaan op de Veluwe, waar hij in 1951, een dag na zijn 75e verjaardag, overleed.
Ingenhovens kwaliteiten als dirigent werden zeer gewaardeerd. Vooral zijn optredens met het madrigaalkoor uit München oogstten veel succes. Hij kreeg ook aanbiedingen (die hij afsloeg) om chefdirigent te worden. Toch ligt zijn betekenis voor de Nederlandse muziek vooral in zijn composities die een eigen karakter vertonen. Collega-componisten als Matthijs Vermeulen, Willem Landré en Daniël Ruyneman uitten hun bewondering voor de originaliteit van Ingenhovens werk. Vermeulen noemde hem "een geniaal kunstenaar (...) die Schönberg overtreft in vele opzichten". Ruyneman, die een boekje over hem schreef, herkende impressionistische eigenschappen in de "subtiele lichtheid en de etsmatig aandoende lijnkruisingen" van zijn muziek.
Ingenhoven zelf deed weinig aan de promotie van zijn composities. Zij werden tijdens zijn leven weinig uitgevoerd en na zijn dood helemaal niet meer. Ook nu staat slechts sporadisch iets van hem op de concertprogramma's. Toch beschouwen kenners hem als een van de meest getalenteerde Nederlandse componisten uit de eerste helft van de twintigste eeuw.
Enige werken voor strijkers
- Drei Sätze für Streichquartett (1907-08)
- Streichquartett in einem Satz (1911)
- Drittes Streichquartett (1912)
- Symphonisch concert voor viool, cello, piano en kamerorkest (1912-13)
- Mietje (Guido Gezelle), voor 4-stemmig koor a capella (1913)
- Sonate voor Bes-klarinet en piano (1916-17)
- Sonate nr. 1 voor cello en piano (1919)
- Sonate nr. 1 voor viool en piano (1919-20)
- Sonate nr. 2 voor viool en piano (1921)
- Sonate nr. 2 "Quasi una fantasia" voor cello en piano (1922)
- Vier stukken voor fluit, hobo, klarinet, fagot, 2 hoorns, pauken en strijkinstrumenten (1924)
- Drei Sätze voor 3 klarinetten, 3 hobo's en piano (1924-25); ook versies met alternatieve bezettingen
- Kamermuziek voor klarinet en strijktrio of strijkorkest (1926)
- Trio pour violon, violoncelle et harpe (cinq pieces pour trois instruments divers)
Uit de jaren 1942-44 dateren onvoltooide fragmenten van o.a. drie stukken voor klarinet en piano, een Concertstuk voor vioolsolo, klarinet, slagwerk en blazers en een Prelude, Intermezzo en Finale voor blazers en harp waaraan hij nog tot 1949 gewerkt heeft.
De Nederlandse compponist Daniël Ruyneman schreef in 1937 een biografie getiteld De componist Jan Ingenhoven
Dick Kattenburg (1919-1944) kwam in Amsterdam ter wereld, maar verhuisde op jonge leeftijd met zijn familie naar Naarden. Zijn vader was textielfabrikant en directeur van Hollandia-Kattenburg, een voor Amsterdammers bekend gebouw aan de overkant van het IJ. Dick en zijn broer Tom kregen vanaf jonge leeftijd een gedegen muzikale opleiding. Tom werd concertpianist, Dick studeerde aanvankelijk viool bij Hugo Godron die zelf een leerling was van Oskar Back. Later studeerde hij muziektheorie en viool aan het College Musicale Belge in Brussel en volgde in Den Haag dezelfde vakken. Hij had les van o.a. Willem Pijper. Kort na zijn staatsexamen, in 1941, werd Kattenburg wegens zijn joodse afkomst gedwongen onder te duiken. Hij kon terecht bij een vriendin in Utrecht, Ytia Walburg Schmidt. Deze schuilplaats werd echter verraden, en in de jaren die volgden zwierf Kattenburg langs een aantal andere adressen. Volgens een naoorlogs bericht van het Rode Kruis was Uiterwaardenstraat 387 in Amsterdam daarvan het laatste. Kattenburg gebruikte de schuilnamen "Van Assendelft van Wijck" en "K. van Drunen". Op 5 mei 1944 werd Kattenburg opgepakt, waarschijnlijk tijdens een razzia in een bioscoop. In Westerbork zag hij nog kans een briefje naar zijn oom en tante in Amsterdam te sturen. Kort daarna, op 19 mei 1944, werd hij naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij tussen 22 mei en 30 september door de Nazis werd vermoord, amper vijfentwintig jaar oud.
Gedurende zijn korte leven schreef Kattenburg een dertigtal composities voor diverse bezettingen. Een groot deel daarvan kwam tijdens de oorlog tot stand. In deze benarde jaren stond hij in contact met Leo Smit en stuurde hij deze oudere collega een brief met muziektechnische vragen; Smits reactie is bewaard gebleven. Opvallend is dat Kattenburg, die liberaal was opgevoed, zich in de oorlog steeds sterker bewust lijkt te zijn geworden van zijn joodse achtergrond. Zo schreef hij een serie Palestijnse liederen (1940-45), die zionistisch van karakter zijn en het Beloofde Land bezingen; Het oude Joodse land werd in die tijd immers nog Palestina genoemd. "Voorwaarts arbeiders, naar het beloofde land", zo roept de montere mars in Kadima Hapoel op. Kattenburg gaf deze bundel liederen overigens het opschrift 'Roemeense liederen' mee; het omslag van de Hebreeuwse melodie zegt: 'Roemeense melodie'. In beide gevallen gaat het om 'vermommende' titels, bedoeld om de manuscripten tijdens de onderduik onverdacht te houden en zo veilig te stellen.
In met name de instrumentale composities van Kattenburg is de invloed van de eigentijdse Franse muziek hoorbaar. Vaker is zijn stijl echter ronduit romantisch. De Blues (1940) voor piano quatremains, geschreven voor de vijftigste verjaardag van zijn moeder, heeft een jazzy feel. Opvallend is ook de Tapdance (1936), voor piano quatre-mains en tapdanser of slagwerk.
De muziek van Kattenburg werd tijdens zijn leven nauwelijks uitgevoerd. Eén van de uitzonderingen is de Sonate (1937) voor fluit en piano. Kattenburg schreef dit werk voor een bevriende fluitiste, Ima van Esso. Net als Kattenburg kwam zij in de oorlog in Auschwitz terecht, maar zij overleefde het kamp. Ze bewaarde Kattenburgs manuscript en stuurde het in 2000 als verjaardagscadeau toe aan fluitiste Eleonore Pameijer. Getroffen door de zeggingskracht van het werk, en door het verhaal er achter, voerde deze het in de jaren die volgden regelmatig uit.
In 2004 bleek dat deze compositie niet de enige was die bewaard was gebleven. Een dochter van Dick Kattenburgs zuster Daisy, Joyce Bergman-van Hessen, besloot de nalatenschap van haar moeder door te nemen. Dit naar aanleiding van een aankondiging van een concert van Eleonore Pameijer en pianist Marcel Worms, die de sonate zouden vertolken. Ze dacht dat ze misschien met het doorzoeken van de dozen op zolder iets meer over haar oom te weten zou kunnen komen. De vondst die ze deed was spectaculair: een stapel manuscripten met een schat aan muziek van Dick Kattenburg. De Sonate voor fluit en piano bleek geen uitzondering: ook de andere composities zijn van hoge kwaliteit.
Selectie van werken
*Tapdance (1936)
*Piano quatre-mains en tapdanser/slagwerk
*Sonate voor fluit en piano (1937)
*Blues voor quatre-mains (1940)
*Hebreeuwse melodie viool, cello en piano (1941)
*Palestijnse liederen voor sopraan en piano (1940-45)
Tekst: Wim de Vries / Jochem van der Heide
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl
De componist en violist/altviolis Cor Kint werd geboren op 9 januari 1890 in Enkhuizen en overleed op 8 juli 1944 te Hilversum. Hij woonde van 1890 tot 1906 in Enkhuizen. Bekend is dat Kint in september 1899 vioollessen volgde bij Felice Togni in Amsterdam en vanaf 1902 op wekelijkse basis. Van 1906 tot 1940 woonde Kint in Amsterdam waar hij student werd aan de Muziekschool ter bevordering der Toonkunst. Deze muziekschool was gelieerd aan het conservatorium van Amsterdam. Hij bleef op deze muziekschool vioollessen volgen van Togni. Kint sloot zijn studie aan de muzieksachool af in 1909. Van 1909 tot 1915 was hij altist in het Concertgebouworkest en van 1911 tot 1922 altviolist in het Hollands Strijkkwartet waarvan hij mede-oprichter was. Van 1923 tot zijn dood was hij als leraar viool, altviool en viola d'amore aan het Amsterdams Conservatorium verbonden. Na 1930 gaf hij bij de uitgevers Günther (Leipzig) en Zimmermann tientallen 18e-eeuwse composities voor viola d'amore uit op welk gebied hij eind jaren dertig een internationaal erkende autoriteit was geworden. De laatste jaren van zijn leven, van 1940 tot 1944 woonde Kint in Hilversum.
Cor Kint trouwde op 9 november 1921 met Jeanny (Jenny) Couperus, telg uit een bekend Nederlands Patriciërsgeslacht Couperus. Zij was familie van de grote schrijver Louis Couperus. Over Jenny weten we niet veel. Het zogenaamde 'Blauwe Boekje' van het Nederland's Patriciaat waarin het geslacht al in de eerste jaargang (1910) is opgenomen) geeft summiere informatie over het geslacht Couperus. Van oorsprong een Schotse familie uit Edinburgh met de naam 'Couper' week dominee John Couper, predikant te Edinburgh, uit naar Burgwerd in Friesland in 1555 en werd predikant aldaar. John Couper was de stichter van de Nederlandse tak van het geslacht Couper dat later, begin 17de eeuw de familienaam zou veranderen in Couperus.
Kint liet een oeuvre na dat tijdens zijn leven voor veel minder dan de helft in druk verschenen is. Zijn composities voor orgel, waarvan er vijf uitgegeven waren, kregen echter blijvende bekendheid. Een orgelstuk als de Fantasie over Een vaste Burg is onze God heeft ondanks de beperkte oplage altijd repertoire gehouden, en Prélude pastoral bracht het zelfs tot een herdruk in de crisistijd na 1929.
In de jaren 2005-2008 heeft uitgeverij Boeijenga te Veenhuizen de manuscripten van de orgelwerken en de duo's voor viool en orgel/harmonium in druk laten verschijnen alsook de indertijd gedrukte orgel- en harmoniumwerken in herziene editie uit- gegeven.
Composities voor strijkers
*Twee strijkkwartetten
*Berceuse voor viool en piano
*duo's voor viool en orgel/harmonium
*Le violon chante (4 stukjes voor viool met pianobegeleiding voor het beginonderwijs)
*Le debut du violon (korte stukjes met pianobegeleiding voor het beginonderwijs)
*Concertino voor viool met pianobegeleiding
*6 leichte Stücke für Violine und Klavier
*Concertstuk voor altviool en orkest (Door Kint zelf als solist uitgevoerd in 1913 met het Concertgebouworkest)
*Hymne voor viool en orkest (verscheen in druk in het najaar van 2008)
*Concertstukken voor viola d'amore
*Duo's voor viool en orgel/harmonium
*Cadenzen voor de vioolconcerten vanb Mozart in G, D (KV. 218) en A
bronnen:
*http://www.corkint.info
*Nederland's Patriciaat - Uitgave van het Centraal Bureau voor Genealogie, 1e jaargang, 1910.
Jan Koetsier (Amsterdam, 14 augustus 1911 - München, 28 april 2006) was een Nederlandse componist, muziekpedagoog en dirigent.
Levensloop
Van 1927 tot 1934 studeerde hij compositie, piano en directie aan de Hochschule für Musik Berlijn. Daarna was hij kapelmeester in Lübeck en Berlijn alvorens hij in 1942 bij de nieuw opgerichte Kameropera in Den Haag kwam. Later dat jaar werd hij tweede dirigent onder Willem Mengelberg bij hetAmsterdamse Concertgebouworkest. In 1949-50 was hij korte tijd werkzaam bij het Residentie Orkest en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, maar in 1950 toog Koetsier weer naar Duitsland en was vervolgens tot 1966 dirigent van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks naastEugen Jochum resp. Rafael Kubelik. Van 1966 tot 1976 was hij bij de Hochschule für Musik in München professor in orkestdirectie. Vanaf 1966 richtte hij zich ook meer op componeren dan op dirigeren. Jan Koetsier werd ruim 94 jaar oud.
Werk
Hij heeft diverse werken gecomponeerd die nog worden uitgevoerd, met name zijn koperblazers- en kamermuziek. Ook schreef hij een drietalsymfonieën, een opera (Frans Hals, naar een blijspel van Frederik van Eeden), een oratorium (Der Mann Lot) en een ballet (Demeter). Vanwege zijn samenwerking met de Britse trompettist Philip Jones schreef hij ook tal van werken voor koperblazers, zoals een Brass Symphony.
Koetsier werd in zijn werk met name beïnvloed door Paul Hindemith. Verder was hij een bewonderaar van laatromantische componisten als Gustav Mahler en Richard Strauss. Zo heeft in zijn functie als dirigent van de Beierse radio-omroep ernaar gestreefd dat er meer ten gehore zou worden gebracht van de muziek van Mahler, die toen niet vaak werd gespeeld.
Composities (selectie)
- Barocksuite voor orkest op. 10 (1936)
- Celloconcert (1938)
- Symphonische Muziek op. 19 (1940)
- Siciliano e rondo voor twee hobo's (voor Jaap en Haakon Stotijn)
- Ouverture Valerius op. 22 (1942/1966)
- Symphonietta op. 26 (1943/1960)
- Demeter, symfonisch ballet op. 25 (1943)
- Muziek voor vier orkesten op. 28 (1944/1957)
- Divertimento op. 27 (1944)
- Adagietto e Scherzino op. 12 (1936/1952)
- Eerste symfonie op. 29 (1945/1968)
- Tweede symfonie met koor op. 30 (1946)
- Frans Hals, opera op. 39, naar een blijspel van Frederik van Eeden, 1946-49
- Partita op. 41/1
- Muziek voor kamerorkest (1948)
- Vision pastorale voor althobo en strijkorkest (1954)
- Concertino voor piano en orkest (1954)
- Concertino voor altviool en orkest (1955)
- Derde symfonie (1955)
- Concert voor trompet, trombone en orkest op. 17 (1962)
- Der Mann Lot, oratorium voor bariton, spreekstem, mannenkoor en orkest (1962)
- Brass Symphony (1979)
- Kleiner Zirkusmarsch op. 79
- Papillons‑Variationen op. 108
- Gran Trio op. 112
- Konzertante Musik op. 78
- Metamorphosen über ein Thema aus "Die Moldau" von Smetana op. 102
- Introduktion und Variationen über das Vysehrad‑Thema von Smetana voor koperkwintet en harp op. 71
- Quintetto lirico op. 141
- Brass Quintett op. 65
- Allegro Maestoso en Falstaffiade
- Kolloquium op. 67b
- Concert voor koperkwintet en orkest op. 133
Hans Kox (Arnhem, 19 mei 1930) is een Nederlands componist en muziekpedagoog.
Kox is afkomstig uit een muzikale familie; zijn vader was koordirigent en organist. Zijn muziekstudie, begonnen bij zijn vader, zette hij voort aan het Utrechts Conservatorium. Na twee jaar hield hij het hier echter voor gezien omdat hij het studietempo te laag vond en bovendien geen kans zag om er compositie te studeren. Hij studeerde van 1948 tot 1951 in Amsterdam piano bij Jaap Spaanderman. Daar hij de vakkennis van Henk Badings zeer bewonderde, werd hij van 1951 tot 1955 compositie privé-leerling bij hem. Badings leidde hem op voor het staatsexamen.
In 1956 werd hij, op 26-jarige leeftijd, directeur van de muziekschool te Doetinchem, een functie welke hij tot 1971 bleef vervullen. In deze 15 jaar groeide deze muziekschool onder zijn leiding uit tot een van de best uitgeruste muziekinstituten van West-Europa. Daarna vestigde hij zich te Haarlem, werd adviseur van het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Verder was hij tot 1984 als docent compositie aan het Utrechts Conservatorium. Onder zijn leerlingen bevonden zich Marc van Delft en Hardy Mertens. Daarna besloot hij zich volledig aan het componeren te wijden.
Zijn debuut als componist beleefde hij reeds in 1953 toen zijn strijktrio op het Gaudeamus muziekfestival uitgevoerd werd. Vanaf dit moment groeide zijn reputatie als componist snel. Samen met Sem Dresden en Hans Henkemans kreeg hij in 1956 een opdracht voor het Concertgebouworkest ter gelegenheid van de 25e verjaardag van Eduard van Beinum als dirigent. Zijn Concertante muziek was het eerste werk zonder supervisie van Henk Badings.
Voor zijn composities werd hij met vele prijzen en onderscheidingen bekroond, zoals in 1954 een prijs op het Internationale Orgelconcours te Haarlem voor zijn Preludium en Fuga, in 1956 de Culturele Prijs van de Gemeente Arnhem en de Muziekprijs van de Gemeente Amsterdam, in 1959 de Visser-Neerlandiaprijs voor zijn Eerste Symfonie en in 1970 de Prix Italia voor In Those Days.
Stijl
Kox-biograaf Bas van Putten schreef ooit over zijn muziek: Zijn schitterend verzorgde partituren leggen getuigenis af van een intense melodische begaafdheid - alles zingt, ook het instrumentale - en dito technisch raffinement. En verder: Dynamische, onrustige muziek is het, met extreme contrasten tussen motorische striktheid en hymnische lyriek, ostinato en liberamente. Traditionele muziek ook, gedacht in termen van thematisch-motivische ontwikkeling, melodie en begeleiding, harmonie en contrapunt. Gevat in het kader van een sterk verruimde, maar altijd voelbare tonale ondergrond.
Composities voor strijkers
Vier vioolconcerten
Sweerts de Landas suite (1981) geschreven voor de eerste editie van de Iordens viooldagen die vernoemd zijn naar mevrouw Iordens Baronesse Sweerts de Landas.
Sonate nr. 1 voor viool/piano
Sonate nr. 2 voor viool/piano
Sonate nr. 3 voor viool/piano (1961) Opgedragen aan Wim Stenz
Sextet voor fluit, hobo, viool, altviool, violoncel en clavecimbel
Rudolf (Ruud) Leopold Koumans (Delft, 2 februari 1929) is een Nederlands componist en muziekpedagoog.
Levensloop
Na zijn eindexamen gymnasium in zijn geboortestad in 1946 studeerde Ruud Koumans enige tijd Franse taal en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Leiden, maar ging begin 1948 over op een muziekstudie aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Hij studeerde daar bij Everhard van Beynum piano, Henk van Calsteren altviool, Martin J. Lürsen en Henri Geraedtsmuziektheorie. Hij behaalde als eerste muziektheoreticus de zilveren Mr. Fockmedaille. Afgezien van enige compositielessen bij Sem Dresden (1946 en 1948) is Koumans als componist autodidact.
In 1952 volgde hij zijn leraar Martin J. Lürsen op als leraar muziektheorie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag; van 1957 tot 1989 was hij hoofdleraar muziektheorie. Daarna wijdde hij zich in hoofdzaak aan het componeren. Ruud Koumans woont in Rijswijk (Zuid-Holland).
Belangrijkste composities
Werken voor orkest
- 1963 Divertimento, voor kamerorkest, opus 18
- 1963-1964 rev.1965 Concert, voor viool en orkest, opus 20
- 1966 Symphonie no. 1, voor orkest, opus 21
- 1978 Symfonie no. 2, voor orkest, opus 53
- 1986 Tollens-Symphonie voor strijkorkest, opus 72
- 1988 Iceland Suite, opus 78
- 2002 De Vier Jaargetijden, voor strijkorkest, opus 108
Werken voor harmonieorkest
- 1979 Ouverture voor harmonieorkest, opus 54 - (ter gelegenheid van het honderdvijftig-jarig bestaan van de Koninklijke Militaire Kapel)
- 1979-1980 Fantasie voor harmonieorkest, opus 56
- 1984 Concert voor bastuba en harmonieorkest, opus 66
Missen, cantates en geestelijke muziek
- 1989 Missa Neerlandica, voor gemengd koor en fanfareorkest, opus 80
- Heer ontferm U over ons (Andante sostenuto)
- Lofzang Eer aan God (Con moto maestoso)
- Ik geloof in God... (Allegro moderato)
- Heilig (Poco adagio e maestoso) en Gezegend Hij die komt... (Con moto maestoso)
- Lam Gods (Andante con moto)
Werken voor koor
- 1964 2 ballads, voor gemengd koor en piano vierhandig - tekst: A. A. Milne
- The old sailor
- The knight whose armour didn't squeak
- 1968 Vijf fabels van La Fontaine, bewerkt voor schoolkoor en schoolorkest, opus 25 - tekst: Jean de la Fontaine
- La cigale et la fourmi
- Le corbeau et le renard
- Le lièvre et la tortue
- La poule aux oeufs d'or
- Le combat des rats et des belettes
- Nederlandse pastorale, voor mannenkoor
- 1983 Melopee, 6 liederen voor 4-stemmig mannenkoor en piano op gedichten van Paul van Ostayen, opus 65
Vocale muziek
- 1967 Vocalise, voor zangstem en piano (uit 12 vocalises van verschillende Nederlandse componisten)
- 1969 Trois voeuz rustiques, voor sopraan, klarinet en piano, opus 28
- D'un vanneur de blé aux vents - tekst: Joachim du Bellay
- À Venus - tekst: Joachim du Bellay
- Les dons de Iacquet à Isabeau - tekst: Pierre de Ronsard
- 1979 Trois ballades de Charles Duc d'Orléans, voor bariton-solo, 4-stemmig mannenkoor en orkest, opus 55
- En la nef de bonne nouvelle
- Loyal espoir
- Si Dieu plait
Kamermuziek
- 1955 Fantasie, voor harp, fluit, viool, altviool, opus 2
- 1957 Capriccio, voor fluit solo
- 1960 Capricietto, voor fluit solo
- 1960 Sonata, voor hobo en piano, opus 10
- 1960 Sonate voor viool en fagot, opus 13
- 1961 Kleine Suite voor strijkkwartet, ook voor strijkorkest, opus 15
- 1960-1962 Strijkkwartet nr. 1, opus 17
- 1966 Trio, voor viool, altviool, cello, opus 22
- 1967 Sonate voor fluit en piano, opus 24 *
- 1969 Scherzo voor piano 4 handen, opus 27
- 1970 Trio, voor hobo, klarinet en fagot, opus 30, uitgegeven bij Donemus
- 1971 Capriccio voor strijkkwartet, opus 33
- 1973-1975 Saxofoonkwartet, opus 37
- 1974 17 études - in de halve positie, voor contrabas
- 1974-1975 Sonata, voor fagot en piano, opus 41
- 1977-1978 Sonate voor hoorn en piano, opus 48
- 1977 Sonate nr. 1 voor cello en piano, opus 50
- 1980 Divirtemento of Trio nr. 2 voor fluit, hobo en klarinet, opus 57
- 1979-1980 Serenade voor 2 fluiten en altviool, opus 58
- 1979-1980 Trio nr. 1 voor viool, cello en piano, opus 62
- 1981 Sonatine voor saxofoonkwartet, opus 61
- 1983 Partita, voor viool en piano, opus 63
- 1981-1982 Trio voor 2 hobo's en althobo, opus 64
- 1982-1985 Sonata per sei (6) violoncelli, opus 69
- 1987 Sonate, voor contrabas en piano, opus 75
- 1987 Sonate per due pianoforti, opus 77
- 1990 Sonate, voor altfluit en piano, opus 82
- 1990-1991 Sonate nr. 2, voor cello en piano, opus 83
- 1991-1992 Kwintet, voor klarinet en strijkkwartet, opus 85
- 1992-1993 Sonate, voor (alt-)viool en piano, opus 87
- 1993 Serenade, voor fluit, viool, 2 altvioelen en cello, opus 88
- 1992-1992 Capriccio voor strijkkwartet, opus 90
- 1994 Trio, voor hobo, fagot en piano, opus 91
- 1994 Sonate nr. 1, voor klarinet en piano, opus 92
- 1995 Serenade, voor klarinet, viool en altviool, opus 93
- 1995 Kwintet, voor 2 violen, altviool en 2 celli, opus 95
- 1996-1997 Kwintet, voor 2 violen, altviool, cello en contrabas, opus 96
- 1996 Sonate nr. 2, voor klarinet en piano, opus 97
- 1997 Dekaphonie, voor 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten, opus 98
- 1996-1997 Trio nr. 2, voor viool, altviool en cello, opus 99
- 1997-1998 Trio, voor 3 altviolen, opus 101
- 1998 Trio nr. 2, voor viool, cello en piano, opus 102
- 1999-2000 Sonate, voor viool en piano, opus 103
- 1999-2000 Sonate nr. 2, voor hobo en piano, opus 104
- 2000-2001 Kwartet, voor hobo, viool, altviool en cello, opus 107
- 2006-2007 Trio nr. 3, voor viool, cello en piano, opus 109
- 2004-2005 Andante en Scherzo, voor trompet en piano, opus 110
- 2006-2007 Kwartet, voor viool, altviool, cello en piano, opus 112






Powered by Maakum Websites