Nederlandse en Vlaamse componisten II
|
Welkom op de pagina Nederlandse en Vlaamse componisten II. De teksten op deze pagina zijn al dan niet in bewerkte vorm afkomstig van o.a. de websites van Donemus, Wikipedia en de Leo Smit Stichting. Een aantal teksten is geschreven door Vioolschool Sillem. |
|
Jan Ingenhoven Jan Ingenhoven Jan Ingenhoven (Breda, 29 mei 1876 - Hoenderloo, 20 mei 1951) werd geboren in een familie van begaafde amateurmusici. Zijn vader, een bakker, speelde hobo en viool en een oom speelde verdienstelijk saxofoon. Jan speelde al vroeg klarinet en zong in een koor. Al op vroege leeftijd was hij koordirigent in Breda en Dordrecht. In 1902-03 studeerde hij harmonieleer en compositie bij Ludwig Felix Brandts Buys en in 1906 bij Felix Motti in München. Na zijn huwelijk in 1905 met Johanna Hermine Frantzmann vestigde hij zich op advies van Bernard Zweers in München en studeerde daar verder bij Felix Mottl, die hem inwijdde in de muziek van Wagner. In München organiseerde hij in 1906 een 'Hollands muziekfeest' met werk van Alphons Diepenbrock, Johan Wagenaar, Charles Smulders en zichzelf. In de jaren 1906-09 dirigeerde hij de Münchner Orchester Verein en het Philharmonisch Orchester. In 1909-12 leidde hij de Münchner Madrigal Vereinigung, een vermaard ensemble van solisten waarmee hij tal van succesvolle tournees door Europa maakte. Ook werd hij in heel Europa regelmatig uitgenodigd voor gastdirecties, o.a. door het Residentie Orkest. Hij specialiseerde zich in de muziek van Mozart maar introduceerde ook een baanbrekend werk als Debussy's Prélude à L'après-midi d'un faune in Nederland en werken van Diepenbrock in het buitenland zoals de eerste buiternlandse uitvoering van Diepenbrock's 'Vondel's Vaart naar Agrippina'.
In zijn vroege jaren schreef Ingenhoven orkestwerken en kamermuziek in een laatromantische stijl die verwantschap vertoont met die van Franz Schmidt, Richard Strauss en Alexander Zemlinsky. Zijn koormuziek uit diezelfde periode is origineler. Uit zijn voorkeur voor ingewikkelde polyfonie blijkt invloed van zowel de renaissancemuziek als die van zijn tijdgenoot Max Reger. De jaren na 1915 bracht hij door in Zwitserland aan de Thunersee en in Parijs. De Franse muziek, vooral die van Debussy, maakte grote indruk op hem en had enige enige invloed op zijn stijl, vooral waar het de klankkleur betreft. Toch toonde hij een sterk eigen karakter dat o.a. in de vaak toegepaste polymetriek, de compacte polyfonie en zijn gevoel voor klankkleur tot uiting komt. Zijn werk keerde zich in toenemende mate af van de romantiek en vertoont een moderne 'objectieve' stijl met een doorzichtig klankbeeld. Ingenhoven werd vooral op het terrrein van de koormuziek als zeer vooruitstrevend beschouwd. Ondser zijn composities tellen we veel kamermuziekj en werken voor koor (zowel a capella als met begeleiding) doch weinig werken voor orkest. Tot de laatste categorie behoort het werk de 'Symphonische Fantasie über Zarathustra's Nachtlied'. Na de dood van zijn echtgenote in 1929 heeft Ingenhoven nauwelijks meer gecomponeerd, al zijn enkele onvoltooide fragmenten uit de jaren veertig bewaard gebleven. In 1937 schonk hij zijn Zwitserse huis aan de Nederlandse Vereniging voor Hedendaagse Muziek. Hij woonde korte tijd in Darmstadt, maar vestigde zich eind jaren dertig weer in Nederland. Hij leidde een teruggetrokken bestaan op de Veluwe, waar hij in 1951, een dag na zijn 75e verjaardag, overleed.
Ingenhovens kwaliteiten als dirigent werden zeer gewaardeerd. Vooral zijn optredens met het madrigaalkoor uit München oogstten veel succes. Hij kreeg ook aanbiedingen (die hij afsloeg) om chefdirigent te worden. Toch ligt zijn betekenis voor de Nederlandse muziek vooral in zijn composities die een eigen karakter vertonen. Collega-componisten als Matthijs Vermeulen, Willem Landré en Daniël Ruyneman uitten hun bewondering voor de originaliteit van Ingenhovens werk. Vermeulen noemde hem "een geniaal kunstenaar (...) die Schönberg overtreft in vele opzichten". Ruyneman, die een boekje over hem schreef, herkende impressionistische eigenschappen in de "subtiele lichtheid en de etsmatig aandoende lijnkruisingen" van zijn muziek.
Ingenhoven zelf deed weinig aan de promotie van zijn composities. Zij werden tijdens zijn leven weinig uitgevoerd en na zijn dood helemaal niet meer. Ook nu staat slechts sporadisch iets van hem op de concertprogramma's. Toch beschouwen kenners hem als een van de meest getalenteerde Nederlandse componisten uit de eerste helft van de twintigste eeuw.
Enige werken voor strijkers
- Drei Sätze für Streichquartett (1907-08)
- Streichquartett in einem Satz (1911)
- Drittes Streichquartett (1912)
- Symphonisch concert voor viool, cello, piano en kamerorkest (1912-13)
- Mietje (Guido Gezelle), voor 4-stemmig koor a capella (1913)
- Sonate voor Bes-klarinet en piano (1916-17)
- Sonate nr. 1 voor cello en piano (1919)
- Sonate nr. 1 voor viool en piano (1919-20)
- Sonate nr. 2 voor viool en piano (1921)
- Sonate nr. 2 "Quasi una fantasia" voor cello en piano (1922)
- Vier stukken voor fluit, hobo, klarinet, fagot, 2 hoorns, pauken en strijkinstrumenten (1924)
- Drei Sätze voor 3 klarinetten, 3 hobo's en piano (1924-25); ook versies met alternatieve bezettingen
- Kamermuziek voor klarinet en strijktrio of strijkorkest (1926)
- Trio pour violon, violoncelle et harpe (cinq pieces pour trois instruments divers)
Uit de jaren 1942-44 dateren onvoltooide fragmenten van o.a. drie stukken voor klarinet en piano, een Concertstuk voor vioolsolo, klarinet, slagwerk en blazers en een Prelude, Intermezzo en Finale voor blazers en harp waaraan hij nog tot 1949 gewerkt heeft.
De Nederlandse compponist Daniël Ruyneman schreef in 1937 een biografie getiteld De componist Jan Ingenhoven |
|
Dick Kattenburg Dick Kattenburg Dick Kattenburg (1919-1944) kwam in Amsterdam ter wereld, maar verhuisde op jonge leeftijd met zijn familie naar Naarden. Zijn vader was textielfabrikant en directeur van Hollandia-Kattenburg, een voor Amsterdammers bekend gebouw aan de overkant van het IJ. Dick en zijn broer Tom kregen vanaf jonge leeftijd een gedegen muzikale opleiding. Tom werd concertpianist, Dick studeerde aanvankelijk viool bij Hugo Godron die zelf een leerling was van Oskar Back. Later studeerde hij muziektheorie en viool aan het College Musicale Belge in Brussel en volgde in Den Haag dezelfde vakken. Hij had les van o.a. Willem Pijper. Kort na zijn staatsexamen, in 1941, werd Kattenburg wegens zijn joodse afkomst gedwongen onder te duiken. Hij kon terecht bij een vriendin in Utrecht, Ytia Walburg Schmidt. Deze schuilplaats werd echter verraden, en in de jaren die volgden zwierf Kattenburg langs een aantal andere adressen. Volgens een naoorlogs bericht van het Rode Kruis was Uiterwaardenstraat 387 in Amsterdam daarvan het laatste. Kattenburg gebruikte de schuilnamen "Van Assendelft van Wijck" en "K. van Drunen". Op 5 mei 1944 werd Kattenburg opgepakt, waarschijnlijk tijdens een razzia in een bioscoop. In Westerbork zag hij nog kans een briefje naar zijn oom en tante in Amsterdam te sturen. Kort daarna, op 19 mei 1944, werd hij naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij tussen 22 mei en 30 september door de Nazis werd vermoord, amper vijfentwintig jaar oud.
Gedurende zijn korte leven schreef Kattenburg een dertigtal composities voor diverse bezettingen. Een groot deel daarvan kwam tijdens de oorlog tot stand. In deze benarde jaren stond hij in contact met Leo Smit en stuurde hij deze oudere collega een brief met muziektechnische vragen; Smits reactie is bewaard gebleven. Opvallend is dat Kattenburg, die liberaal was opgevoed, zich in de oorlog steeds sterker bewust lijkt te zijn geworden van zijn joodse achtergrond. Zo schreef hij een serie Palestijnse liederen (1940-45), die zionistisch van karakter zijn en het Beloofde Land bezingen; Het oude Joodse land werd in die tijd immers nog Palestina genoemd. "Voorwaarts arbeiders, naar het beloofde land", zo roept de montere mars in Kadima Hapoel op. Kattenburg gaf deze bundel liederen overigens het opschrift 'Roemeense liederen' mee; het omslag van de Hebreeuwse melodie zegt: 'Roemeense melodie'. In beide gevallen gaat het om 'vermommende' titels, bedoeld om de manuscripten tijdens de onderduik onverdacht te houden en zo veilig te stellen.
In met name de instrumentale composities van Kattenburg is de invloed van de eigentijdse Franse muziek hoorbaar. Vaker is zijn stijl echter ronduit romantisch. De Blues (1940) voor piano quatremains, geschreven voor de vijftigste verjaardag van zijn moeder, heeft een jazzy feel. Opvallend is ook de Tapdance (1936), voor piano quatre-mains en tapdanser of slagwerk.
De muziek van Kattenburg werd tijdens zijn leven nauwelijks uitgevoerd. Eén van de uitzonderingen is de Sonate (1937) voor fluit en piano. Kattenburg schreef dit werk voor een bevriende fluitiste, Ima van Esso. Net als Kattenburg kwam zij in de oorlog in Auschwitz terecht, maar zij overleefde het kamp. Ze bewaarde Kattenburgs manuscript en stuurde het in 2000 als verjaardagscadeau toe aan fluitiste Eleonore Pameijer. Getroffen door de zeggingskracht van het werk, en door het verhaal er achter, voerde deze het in de jaren die volgden regelmatig uit.
In 2004 bleek dat deze compositie niet de enige was die bewaard was gebleven. Een dochter van Dick Kattenburgs zuster Daisy, Joyce Bergman-van Hessen, besloot de nalatenschap van haar moeder door te nemen. Dit naar aanleiding van een aankondiging van een concert van Eleonore Pameijer en pianist Marcel Worms, die de sonate zouden vertolken. Ze dacht dat ze misschien met het doorzoeken van de dozen op zolder iets meer over haar oom te weten zou kunnen komen. De vondst die ze deed was spectaculair: een stapel manuscripten met een schat aan muziek van Dick Kattenburg. De Sonate voor fluit en piano bleek geen uitzondering: ook de andere composities zijn van hoge kwaliteit.
Selectie van werken *Tapdance (1936) *Piano quatre-mains en tapdanser/slagwerk
*Sonate voor fluit en piano (1937) *Blues voor quatre-mains (1940) *Hebreeuwse melodie viool, cello en piano (1941) *Palestijnse liederen voor sopraan en piano (1940-45)
Tekst: Wim de Vries / Jochem van der Heide
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Cor Kint Cor Kint rond 1930 met een viola d'amore van Johann Chr. Hoffman uit Leipzig, 1731 (Foto Hanna Elkan)
De componist Cor Kint werd geboren op 9 januari 1890 in Enkhuizen en overleed op 8 juli 1944 te Hilversum. Hij woonde van 1890 tot 1906 in Enkhuizen. Bekend is dat Kint in september 1899 vioollessen volgde bij Felice Togni in Amsterdam en vanaf 1902 op wekelijkse basis. Van 1906 tot 1940 woonde Kint in Amsterdam waar hij student werd aan de Muziekschool ter bevordering der Toonkunst. Deze muziekschool was gelieerd aan het conservatorium van Amsterdam. Hij bleef op deze muziekschool vioollessen volgen van Togni. Kint sloot zijn studie aan de muzieksachool af in 1909. Van 1909 tot 1915 was hij altist in het Concertgebouworkest en van 1911 tot 1922 altviolist in het Hollands Strijkkwartet waarvan hij mede-oprichter was. Van 1923 tot zijn dood was hij als leraar viool, altviool en viola d'amore aan het Amsterdams Conservatorium verbonden. Na 1930 gaf hij bij de uitgevers Günther (Leipzig) en Zimmermann tientallen 18e-eeuwse composities voor viola d'amore uit op welk gebied hij eind jaren dertig een internationaal erkende autoriteit was geworden. De laatste jaren van zijn leven, van 1940 tot 1944 woonde Kint in Hilversum.
Kint liet een oeuvre na dat tijdens zijn leven voor veel minder dan de helft in druk verschenen is. Zijn composities voor orgel, waarvan er vijf uitgegeven waren, kregen echter blijvende bekendheid. Een orgelstuk als de Fantasie over Een vaste Burg is onze God heeft ondanks de beperkte oplage altijd repertoire gehouden, en Prélude pastoral bracht het zelfs tot een herdruk in de crisistijd na 1929.
In de jaren 2005-2008 heeft uitgeverij Boeijenga te Veenhuizen de manuscripten van de orgelwerken en de duo's voor viool en orgel/harmonium in druk laten verschijnen alsook de indertijd gedrukte orgel- en harmoniumwerken in herziene editie uit- gegeven.
Composities voor strijkers *Twee strijkkwartetten *Berceuse voor viool en piano *duo's voor viool en orgel/harmonium *Le violon chante (4 stukjes voor viool met pianobegeleiding voor het beginonderwijs) *Le debut du violon (korte stukjes met pianobegeleiding voor het beginonderwijs) *Concertino voor viool met pianobegeleiding *6 leichte Stücke für Violine und Klavier *Concertstuk voor altviool en orkest (Door Kint zelf als solist uitgevoerd in 1913 met het Concertgebouworkest) *Hymne voor viool en orkest (verscheen in druk in het najaar van 2008) *Concertstukken voor viola d'amore *Duo's voor viool en orgel/harmonium *Cadenzen voor de vioolconcerten vanb Mozart in G, D (KV. 218) en A |
|
Jan Koetsier Jan Koetsier op deze foto te zien als dirigent Jan Koetsier (Amsterdam, 14 augustus 1911 - München, 28 april 2006) was een Nederlandse componist, muziekpedagoog en dirigent.
Levensloop
Van 1927 tot 1934 studeerde hij compositie, piano en directie aan de Hochschule für Musik Berlijn. Daarna was hij kapelmeester in Lübeck en Berlijn alvorens hij in 1942 bij de nieuw opgerichte Kameropera in Den Haag kwam. Later dat jaar werd hij tweede dirigent onder Willem Mengelberg bij hetAmsterdamse Concertgebouworkest. In 1949-50 was hij korte tijd werkzaam bij het Residentie Orkest en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, maar in 1950 toog Koetsier weer naar Duitsland en was vervolgens tot 1966 dirigent van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks naastEugen Jochum resp. Rafael Kubelik. Van 1966 tot 1976 was hij bij de Hochschule für Musik in München professor in orkestdirectie. Vanaf 1966 richtte hij zich ook meer op componeren dan op dirigeren. Jan Koetsier werd ruim 94 jaar oud.
Werk
Hij heeft diverse werken gecomponeerd die nog worden uitgevoerd, met name zijn koperblazers- en kamermuziek. Ook schreef hij een drietalsymfonieën, een opera (Frans Hals, naar een blijspel van Frederik van Eeden), een oratorium (Der Mann Lot) en een ballet (Demeter). Vanwege zijn samenwerking met de Britse trompettist Philip Jones schreef hij ook tal van werken voor koperblazers, zoals een Brass Symphony.
Koetsier werd in zijn werk met name beïnvloed door Paul Hindemith. Verder was hij een bewonderaar van laatromantische componisten als Gustav Mahler en Richard Strauss. Zo heeft in zijn functie als dirigent van de Beierse radio-omroep ernaar gestreefd dat er meer ten gehore zou worden gebracht van de muziek van Mahler, die toen niet vaak werd gespeeld.
Composities (selectie)
- Barocksuite voor orkest op. 10 (1936)
- Celloconcert (1938)
- Symphonische Muziek op. 19 (1940)
- Siciliano e rondo voor twee hobo's (voor Jaap en Haakon Stotijn)
- Ouverture Valerius op. 22 (1942/1966)
- Symphonietta op. 26 (1943/1960)
- Demeter, symfonisch ballet op. 25 (1943)
- Muziek voor vier orkesten op. 28 (1944/1957)
- Divertimento op. 27 (1944)
- Adagietto e Scherzino op. 12 (1936/1952)
- Eerste symfonie op. 29 (1945/1968)
- Tweede symfonie met koor op. 30 (1946)
- Frans Hals, opera op. 39, naar een blijspel van Frederik van Eeden, 1946-49
- Partita op. 41/1
- Muziek voor kamerorkest (1948)
- Vision pastorale voor althobo en strijkorkest (1954)
- Concertino voor piano en orkest (1954)
- Concertino voor altviool en orkest (1955)
- Derde symfonie (1955)
- Concert voor trompet, trombone en orkest op. 17 (1962)
- Der Mann Lot, oratorium voor bariton, spreekstem, mannenkoor en orkest (1962)
- Brass Symphony (1979)
- Kleiner Zirkusmarsch op. 79
- Papillons‑Variationen op. 108
- Gran Trio op. 112
- Konzertante Musik op. 78
- Metamorphosen über ein Thema aus "Die Moldau" von Smetana op. 102
- Introduktion und Variationen über das Vysehrad‑Thema von Smetana voor koperkwintet en harp op. 71
- Quintetto lirico op. 141
- Brass Quintett op. 65
- Allegro Maestoso en Falstaffiade
- Kolloquium op. 67b
- Concert voor koperkwintet en orkest op. 133
|
|
Hans Kox Hans Kox Hans Kox (Arnhem, 19 mei 1930) is een Nederlands componist en muziekpedagoog.
Kox is afkomstig uit een muzikale familie; zijn vader was koordirigent en organist. Zijn muziekstudie, begonnen bij zijn vader, zette hij voort aan het Utrechts Conservatorium. Na twee jaar hield hij het hier echter voor gezien omdat hij het studietempo te laag vond en bovendien geen kans zag om er compositie te studeren. Hij studeerde van 1948 tot 1951 in Amsterdam piano bij Jaap Spaanderman. Daar hij de vakkennis van Henk Badings zeer bewonderde, werd hij van 1951 tot 1955 compositie privé-leerling bij hem. Badings leidde hem op voor het staatsexamen. In 1956 werd hij, op 26-jarige leeftijd, directeur van de muziekschool te Doetinchem, een functie welke hij tot 1971 bleef vervullen. In deze 15 jaar groeide deze muziekschool onder zijn leiding uit tot een van de best uitgeruste muziekinstituten van West-Europa. Daarna vestigde hij zich te Haarlem, werd adviseur van het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Verder was hij tot 1984 als docent compositie aan het Utrechts Conservatorium. Onder zijn leerlingen bevonden zich Marc van Delft en Hardy Mertens. Daarna besloot hij zich volledig aan het componeren te wijden. Zijn debuut als componist beleefde hij reeds in 1953 toen zijn strijktrio op het Gaudeamus muziekfestival uitgevoerd werd. Vanaf dit moment groeide zijn reputatie als componist snel. Samen met Sem Dresden en Hans Henkemans kreeg hij in 1956 een opdracht voor het Concertgebouworkest ter gelegenheid van de 25e verjaardag van Eduard van Beinum als dirigent. Zijn Concertante muziek was het eerste werk zonder supervisie van Henk Badings. Voor zijn composities werd hij met vele prijzen en onderscheidingen bekroond, zoals in 1954 een prijs op het Internationale Orgelconcours te Haarlem voor zijn Preludium en Fuga, in 1956 de Culturele Prijs van de Gemeente Arnhem en de Muziekprijs van de Gemeente Amsterdam, in 1959 de Visser-Neerlandiaprijs voor zijn Eerste Symfonie en in 1970 de Prix Italia voor In Those Days.
Stijl Kox-biograaf Bas van Putten schreef ooit over zijn muziek: Zijn schitterend verzorgde partituren leggen getuigenis af van een intense melodische begaafdheid - alles zingt, ook het instrumentale - en dito technisch raffinement. En verder: Dynamische, onrustige muziek is het, met extreme contrasten tussen motorische striktheid en hymnische lyriek, ostinato en liberamente. Traditionele muziek ook, gedacht in termen van thematisch-motivische ontwikkeling, melodie en begeleiding, harmonie en contrapunt. Gevat in het kader van een sterk verruimde, maar altijd voelbare tonale ondergrond.
Composities voor strijkers
Vier vioolconcerten
Sweerts de Landas suite (1981) geschreven voor de eerste editie van de Iordens viooldagen die vernoemd zijn naar mevrouw Iordens Baronesse Sweerts de Landas.
Sonate nr. 1 voor viool/piano
Sonate nr. 2 voor viool/piano
Sonate nr. 3 voor viool/piano (1961) Opgedragen aan Wim Stenz
Sextet voor fluit, hobo, viool, altviool, violoncel en clavecimbel
|
|
Rudolf KoumansRudolf (Ruud) Leopold Koumans (Delft, 2 februari 1929) is een Nederlands componist en muziekpedagoog.
Levensloop
Na zijn eindexamen gymnasium in zijn geboortestad in 1946 studeerde Ruud Koumans enige tijd Franse taal en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Leiden, maar ging begin 1948 over op een muziekstudie aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Hij studeerde daar bij Everhard van Beynum piano, Henk van Calsteren altviool, Martin J. Lürsen en Henri Geraedtsmuziektheorie. Hij behaalde als eerste muziektheoreticus de zilveren Mr. Fockmedaille. Afgezien van enige compositielessen bij Sem Dresden (1946 en 1948) is Koumans als componist autodidact.
In 1952 volgde hij zijn leraar Martin J. Lürsen op als leraar muziektheorie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag; van 1957 tot 1989 was hij hoofdleraar muziektheorie. Daarna wijdde hij zich in hoofdzaak aan het componeren. Ruud Koumans woont in Rijswijk (Zuid-Holland).
Belangrijkste composities
Werken voor orkest
- 1963 Divertimento, voor kamerorkest, opus 18
- 1963-1964 rev.1965 Concert, voor viool en orkest, opus 20
- 1966 Symphonie no. 1, voor orkest, opus 21
- 1978 Symfonie no. 2, voor orkest, opus 53
- 1986 Tollens-Symphonie voor strijkorkest, opus 72
- 1988 Iceland Suite, opus 78
- 2002 De Vier Jaargetijden, voor strijkorkest, opus 108
Werken voor harmonieorkest
- 1979 Ouverture voor harmonieorkest, opus 54 - (ter gelegenheid van het honderdvijftig-jarig bestaan van de Koninklijke Militaire Kapel)
- 1979-1980 Fantasie voor harmonieorkest, opus 56
- 1984 Concert voor bastuba en harmonieorkest, opus 66
Missen, cantates en geestelijke muziek
- 1989 Missa Neerlandica, voor gemengd koor en fanfareorkest, opus 80
- Heer ontferm U over ons (Andante sostenuto)
- Lofzang Eer aan God (Con moto maestoso)
- Ik geloof in God... (Allegro moderato)
- Heilig (Poco adagio e maestoso) en Gezegend Hij die komt... (Con moto maestoso)
- Lam Gods (Andante con moto)
Werken voor koor
- 1964 2 ballads, voor gemengd koor en piano vierhandig - tekst: A. A. Milne
- The old sailor
- The knight whose armour didn't squeak
- 1968 Vijf fabels van La Fontaine, bewerkt voor schoolkoor en schoolorkest, opus 25 - tekst: Jean de la Fontaine
- La cigale et la fourmi
- Le corbeau et le renard
- Le lièvre et la tortue
- La poule aux oeufs d'or
- Le combat des rats et des belettes
- Nederlandse pastorale, voor mannenkoor
- 1983 Melopee, 6 liederen voor 4-stemmig mannenkoor en piano op gedichten van Paul van Ostayen, opus 65
Vocale muziek
- 1967 Vocalise, voor zangstem en piano (uit 12 vocalises van verschillende Nederlandse componisten)
- 1969 Trois voeuz rustiques, voor sopraan, klarinet en piano, opus 28
- D'un vanneur de blé aux vents - tekst: Joachim du Bellay
- À Venus - tekst: Joachim du Bellay
- Les dons de Iacquet à Isabeau - tekst: Pierre de Ronsard
- 1979 Trois ballades de Charles Duc d'Orléans, voor bariton-solo, 4-stemmig mannenkoor en orkest, opus 55
- En la nef de bonne nouvelle
- Loyal espoir
- Si Dieu plait
Kamermuziek
- 1955 Fantasie, voor harp, fluit, viool, altviool, opus 2
- 1957 Capriccio, voor fluit solo
- 1960 Capricietto, voor fluit solo
- 1960 Sonata, voor hobo en piano, opus 10
- 1960 Sonate voor viool en fagot, opus 13
- 1961 Kleine Suite voor strijkkwartet, ook voor strijkorkest, opus 15
- 1960-1962 Strijkkwartet nr. 1, opus 17
- 1966 Trio, voor viool, altviool, cello, opus 22
- 1967 Sonate voor fluit en piano, opus 24 *
- 1969 Scherzo voor piano 4 handen, opus 27
- 1970 Trio, voor hobo, klarinet en fagot, opus 30, uitgegeven bij Donemus
- 1971 Capriccio voor strijkkwartet, opus 33
- 1973-1975 Saxofoonkwartet, opus 37
- 1974 17 études - in de halve positie, voor contrabas
- 1974-1975 Sonata, voor fagot en piano, opus 41
- 1977-1978 Sonate voor hoorn en piano, opus 48
- 1977 Sonate nr. 1 voor cello en piano, opus 50
- 1980 Divirtemento of Trio nr. 2 voor fluit, hobo en klarinet, opus 57
- 1979-1980 Serenade voor 2 fluiten en altviool, opus 58
- 1979-1980 Trio nr. 1 voor viool, cello en piano, opus 62
- 1981 Sonatine voor saxofoonkwartet, opus 61
- 1983 Partita, voor viool en piano, opus 63
- 1981-1982 Trio voor 2 hobo's en althobo, opus 64
- 1982-1985 Sonata per sei (6) violoncelli, opus 69
- 1987 Sonate, voor contrabas en piano, opus 75
- 1987 Sonate per due pianoforti, opus 77
- 1990 Sonate, voor altfluit en piano, opus 82
- 1990-1991 Sonate nr. 2, voor cello en piano, opus 83
- 1991-1992 Kwintet, voor klarinet en strijkkwartet, opus 85
- 1992-1993 Sonate, voor (alt-)viool en piano, opus 87
- 1993 Serenade, voor fluit, viool, 2 altvioelen en cello, opus 88
- 1992-1992 Capriccio voor strijkkwartet, opus 90
- 1994 Trio, voor hobo, fagot en piano, opus 91
- 1994 Sonate nr. 1, voor klarinet en piano, opus 92
- 1995 Serenade, voor klarinet, viool en altviool, opus 93
- 1995 Kwintet, voor 2 violen, altviool en 2 celli, opus 95
- 1996-1997 Kwintet, voor 2 violen, altviool, cello en contrabas, opus 96
- 1996 Sonate nr. 2, voor klarinet en piano, opus 97
- 1997 Dekaphonie, voor 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten, opus 98
- 1996-1997 Trio nr. 2, voor viool, altviool en cello, opus 99
- 1997-1998 Trio, voor 3 altviolen, opus 101
- 1998 Trio nr. 2, voor viool, cello en piano, opus 102
- 1999-2000 Sonate, voor viool en piano, opus 103
- 1999-2000 Sonate nr. 2, voor hobo en piano, opus 104
- 2000-2001 Kwartet, voor hobo, viool, altviool en cello, opus 107
- 2006-2007 Trio nr. 3, voor viool, cello en piano, opus 109
- 2004-2005 Andante en Scherzo, voor trompet en piano, opus 110
- 2006-2007 Kwartet, voor viool, altviool, cello en piano, opus 112
|
|
Ton de Kruyf Ton de Kruyf Ton de Kruyf werd op 3 oktober 1937 te Leerdam geboren. Hij studeerde compositie te Heidelberg bij Wolfgang Fortner. Een lyrische ondertoon valt onmiskenbaar in zijn werk aan te wijzen en zijn omvangrijke oeuvre vertoont enige nadruk op het vocale (liederen, koorwerken, opera's). In 1971 ging zijn opera 'Spinoza' in premiere op het Holland Festival.
De Kruyf's werken worden veelvuldig uitgevoerd. In 1968 ontving hij de Visser-Neerlandiaprijs en in 1972 de Fonteyn-Tuynhoutprijs.
Werken voor strijkers
*Celloconcert: Canti e capricci (1984, voor cello en kamerorkest), geschreven voor het Nederlands Kamer Orkest
*Sonate voor cello en piano,
*Canto di Speranza voor viool en orkest
*Danses Rituelles voor altviool en piano.
In 2009 kreeg Ton de Kruyf de compositie-opdracht om speciaal voor de vioolleerlingen van Evert Sillem Acht Sonatines te schrijven voor viool en piano. |
|
Kor Kuiler Kor Kuiler Cornelis Jacobus (Kor) Kuiler (geboren te Alblasserdam, 1877 - gestorven 1951) was een sleutelfiguur in het Groningse muziekleven in de eerste helft van de 20e eeuw. Hij studeerde aan het Amsterdams Conservatorium compositie bij Bernard Zweers en piano bij Julius Röntgen, aan wie hij zijn Pianosonate uit 1899 opdroeg. In 1904 werd hij benoemd tot dirigent van het Toonkunstkoor Bekker en in 1910 tot dirigent van De Groninger Orkest Vereniging.
Enige werken voor strijkers
*Légende voor viool en piano op. 18
*Sonate voor viool en piano in g (1909) |
|
Daniël de Lange Daniël de Lange Daniël de Lange (Rotterdam, 11 juli 1841 - Point Loma (Californië), 31 januari 1918) . Hij ontwikkelde zich in de loop van zijn veelzijdige muzikale leven tot een zeer invloedrijk musicus, componist, koordirigent, organisator, muziekpedagoog en muziekcriticus. Gedurende het begin van zijn loopbaan stond hij vooral te boek als uitmuntend cellist. Hij studeerde in Rotterdam bij Simon Ganz, en later in Brussel bij Adrien François Servais. Concertreizen brachten hem tot diep in Oost-Europa, samen met zijn oudere broer Samuel de Lange jr., een begenadigd pianist en organist. Op voorspraak van Karol Mikuli gaven beide broers in het begin van de jaren 60 van de 19e eeuw les aan het conservatorium van Lemberg. Daniël was toen zelf pas 19 jaar oud.
Na een kort verblijf in Rotterdam verplaatste hij zijn werkterrein naar Parijs, waar hij vooral werkte als organist, componist en pianoleraar. Hij raakte bevriend met tal van beroemde artiesten als Stephen Heller en Édouard Lalo. Tot zijn privéleerlingen behoorden o.a. Ernest Chausson. In deze Parijse periode schreef Daniël onder meer symphonieën, liederen en koorwerken, waaronder het later beroemd geworden dubbelkorige Requiem (1868). In de jaren zeventig keerde hij terug naar Nederland en ontwikkelde zich tot een gezaghebbend criticus (de eerste officiële muziekcriticus in Nederland), vlijtig organisator en zeer succesvol koordirigent. Samen met Johannes Messchaert, Frans Coenen sr. en Julius Röntgen richtte hij in 1884 het Amsterdamsch Conservatorium op waarvan hij jarenlang directeur was. Met een zelf opgericht koor reisde hij door heel Europa en vierde grote triomfen met Hollandse renaissance-meesters waarvan de muziek tot die tijd slechts onder het stof lag. Ook in tal van andere opzichten toonde Daniël zich een ware pionier. Zo verrichtte hij uitvoerig onderzoek naar de Oosterse gamelanmuziek en publiceerde hij tal van educatieve en pedagogische werken. In de laatste jaren van zijn leven kwam hij onder de invloed van de inzichten van Madame Blavatsky en hield hij zich bezig met de Theosofie. Hij verhuisde in 1914 naar het hoofdkwartier van de Theosophical Society in de Verenigde Staten: Point Loma in Californië (Theosofisch Genootschap Point Loma-Covina). Ook daar hield hij zich bezig met educatieve muziekprojecten. Hij schreef een interessant boekje waarin hij zijn nieuwe inzichten uiteenzette: 'Thoughts on Music'.
Daniël de Lange stierf in 1918 in Point Loma. Zijn compositorisch oeuvre is niet zo groot, zeker in vergelijking met zijn broer Samuel jr., maar zeer de moeite waard. Het omvat oa. diverse liederen, koorwerken, een opera De val van Kuilenburg (verloren gegaan), twee symfonieën (waarvan die in D-majeur tot op heden niet is teruggevonden) en een celloconcert. Op cd verschenen zijn eerste symfonie (in c-mineur opus 4) en het Requiem, dat bekroond werd met een Edison.
Externe link:
- Stichting Muzikale Nalatenschap Daniël de Lange en Samuel de Lange jr:
|
|
Ton de Leeuw Ton de Leeuw Ton de Leeuw (geboren 16 november 1926 – gestorven te Parijs, 31 mei 1996) was een vooraanstaand Nederlands componist. Hij studeerde compositie bij Henk Badings en Louis Toebosch. Vanaf 1949 studeerde hij in Parijs bij Olivier Messiaen (analyse) en Thomas de Hartmann (orkestratie). Vanuit zijn belangstelling voor niet-westerse muziek studeerde hij bovendien etnomusicologie in Amsterdam. Hij werkte tot 1959 als muziekregisseur bij de Nederlandse Radio Unie. Van 1959 tot 1987 was hij verbonden aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, eerst als hoofddocent compositie en vanaf 1984 als artistiek directeur. Bovendien werkte hij als wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de vakgroep muziekwetenschap van de Universiteit van Amsterdam. In 1956 kreeg Ton de Leeuw de Prix Italia voor zijn "radiofonisch oratorium" Job en in 1958 de Prix des Jeunesses Musicales voor zijn Strijkkwartet. Voor zijn koorwerk Car nos vignes sont en fleur, op teksten uit het bijbelse Hooglied, kreeg hij 1982 de Matthijs Vermeulenprijs. Ook voor zijn Three Shakespeare songs kreeg hij deze prijs, postuum, in 1997.
Composities voor strijkers
Sonatine voor viool en piano (1955)
Vijf schetsen voor hobo, clarinet, fagot, viool, altviool en cello (1952) |
|
Bertus van Lier Bertus van Lier Lambertus (Bertus) van Lier (Utrecht, 10 september 1906 - Roden, 14 februari 1972) was een Nederlands componist, dirigent, muziekwetenschapper, journalist en vertaler.
Bertus van Lier kreeg zijn eerste muzieklessen in theorie en cello op achtjarige leeftijd. Als leerling van het Utrechtse Gymnasium raakte hij betrokken bij opvoeringen van Griekse tragedies en voor één daarvan had zijn latere leraar compositie, Willem Pijper, toneelmuziek gecomponeerd. Na zijn eindexamen studeerde Van Lier cello bij Max Orobio de Castro aan het Amsterdamsch Conservatorium (opgegaan in het Conservatorium van Amsterdam) en daarnaast van 1926 tot 1932 compositie bij Willem Pijper. In 1933 sloot hij zijn studie af met lessen orkestdirectie bij Hermann Scherchen in Straatsburg. In 1938 werd hij hoofdleraar compositie aan het Utrechts Conservatorium, in 1945 bij het Toonkunst Conservatorium van Rotterdam (opgegaan in het Rotterdams Conservatorium) en in 1953 voor het Amsterdams Muzieklyceum (opgegaan in het Conservatorium van Amsterdam). Onder zijn leerlingen bevonden zich Robert Heppener en Bart Berman. Vanwege zijn Joodse vader moest Van Lier zich kort na de Duitse bezetting van mei 1940 terugtrekken uit de muziekwereld. Later dook hij onder; de nazi's vermoordden Nederlandse vaderjoden gedurende de oorlog. Met enige regelmaat werd hij uitgenodigd als gastdirigent, onder meer met het Concertgebouworkest en bij verschillende radio-orkesten. Als dirigent was meest bekend om zijn jaarlijkse uitvoeringen van Bach’s Matthäus Passion met een speciaal orkest waarbij de befaamde tenor Peter Pears optrad als evangelist. Op uitnodiging van Benjamin Britten voerde hij deze ook uit tijdens Aldeburgh Festival van 1950. In 1954-1955 was hij de dirigent van het Residentie Orkest en bij het Holland Festival van 1956 gaf hij leiding over het Nederlands Kamerorkest. Vele jaren schreef Van Lier recensies en artikelen, voor de oorlog voor het Utrechts Nieuwsblad en het NRC Handelsblad en na de oorlog, tot 1960, voor Het Parool. Hiernaast vertaalde hij een tweetal tragedies van Sofokles, Aias en Antigone. Voor deze laatste vertaling ontving hij de Martinus Nijhoff-prijs voor de beste vertaling van een literair werk naar het Nederlands in 1955. In 1960 aanvaarde Van Lier de benoeming wetenschappelijk hoofdambtenaar voor de kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij muziekwetenschap doceerde. In 1964 verleende men hem een eredoctoraat. Van 1961 tot 1971 dirigeerde hij het studentenorkest Bragi. Het was een enorme bloeiperiode voor dit orkest. Vanaf 1968 was hij ziek en kwam hij niet meer toe aan componeren. Hij kwam te overlijden in 1972, 65-jarige leeftijd, in zijn woning in Roden, in Drenthe. Robert Heppener sprak in zijn herdenkingsrede voor de Groningse universiteit over een "uomo universale".
Composities Van Liers composities kenmerken zich door een uiterst persoonlijk idioom, dat tot uiting komt door polyfone lijnen en door een spel met ritme en metrum. Zijn inaugurele rede bij zijn benoeming als lector aan de Rijksuniversiteit Groningen (1966) was dan ook getiteld Ritme en Metrum. Als er sprake zou zijn van invloed is dat vooral een invloed van Bach, wiens werk hij bijzonder goed kende, een invloed die onder meer tot uiting kwam in Het Hooglied (1948) op tekst van het Bijbelboek: Bach citeert in de Matthäus Passion een tekst uit het Hooglied en Van Lier gebruikt het citaat van Bach. Van Lier geeft blijk van een grote belangstelling voor de stem en hij componeerde liederen, begeleid door piano, klein ensemble of orkest, voor koor a capella of begeleid door orkest en voor solisten, koor en orkest. Daarnaast componeerde Van Lier onder andere kamermuziek, toneelmuziek bij de tragedies Aias en Antigone van Sophokles en orkestwerken. Tussen de orkestwerken drie symfonieën, het ballet Katharsis voor de choreografe Sonja Gaskell, een fagotconcert, concertante muziek voor viool en hobo met orkest, een symfonia (die hij niet '4de Symfonie' noemde), een Divertimento facile ('gemakkelijk' slaat hier op publiek maar niet op de uitvoerenden) en Intrada reale e sinfonia festiva, gelegenheidsmuziek voor het bezoek van Koningin Juliana bij het 350-jarig bestaan van de Groningse universiteit (het evenenement met Koningin Juliana in 1964 was tevens het evenement waarin Van Lier zijn eredoctoraat ontving). In zijn werken is ook een vroege en latere periode te bekennen: Van Lier's naoorlogse composities zijn verinnerlijkt, en bevatten veelal een mystiek component. [bewerken]Selectie uit de composities
Composities voor strijkers
Concertante Muziek voor viool en hobo met orkest (1959) Strijkkwartet (1928-1929) Sonate voor violoncello (1930) Kleine Suite voor viool en piano (1935) |
|
Ignace Lilien Ignace Lilien Ignace Lilien werd in 1897 geboren in Lvov (Polen). Hij overleed op 10 mei 1964 in Den Haag.
Opleiding In 1914 belandde hij tijdens een museumtocht door Europa per fiets in Den Haag. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij genoopt hier te blijven. In Delft behaalde hij het scheikundig ingenieursdiploma. Hij studeerde piano bij Theodor Pollak, contrapunt bij H. Ehrlich en instrumentatie bij Josef Suk.
Activiteiten Naast zijn werk als ingenieur componeerde hij en gaf concerten, voornamelijk van eigen werk. Door zijn werk kwam hij vaak in het buitenland o.a. Zuid-Amerika. Zo woonde hij in de jaren '30 in het Boheemse Reichenberg (Liberec), waar de Modern Times Sonata (1935) voor viool en piano ontstond. In 1939 keerde hij naar Nederland terug.
Composities Op zijn vele reizen kwam hij onder de indruk van exotische landen, hetgeen van invloed was op zijn muziek, o.a. het orkestwerk Les Palmes dans le vent (1950). Liliens liederen, zoals Veronica (1920), Quatre chansons des mendiants (1923) en Mietskaserne (1932) zijn van een expressionistische bewogenheid. In 1922 trok hij de aandacht met zijn opera Beatrys, gebaseerd op Ik dien van Herman Teirlinck, met uitvoeringen in Belgie en Duitsland. In 1932 vond te Wiesbaden de première plaats van zijn komische opera Great Catherine (G.B. Shaw). Veel succes had Lilien met zijn schoolcantate A negro girl goes to school waarin het rassenprobleem op humanistische wijze behandeld wordt.
Compact discs Modern Times Sonata - (Modern Times; Music from Dutch Jewish Composers) Channel Classics CCS 7995
werken voor strijkers
Modern Times Sonata voor viool en piano (1935)
Rondo Brésilien voor viool en piano (1935) (Laatste deel van de Modern Times Sonata)
Cinq mazurkas pour violon et piano (1947)
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl |
|
Theo Loevendie Theo Loevendie Theo Loevendie (Amsterdam, 17 september 1930) is een Nederlands componist. Loevendie studeerde compositie en klarinet aan het Amsterdams Conservatorium. Lange tijd hield hij zich uitsluitend met jazzmuziek bezig. Hij won daarvoor diverse prijzen. Vervolgens doceerde Loevendie vanaf 1970 compositie aan diverse conservatoria. Tot zijn leerlingen behoorde onder andere Svitlana Azarova, Bram Van Camp, Matthias Kadar, Vanessa Lann, Peter van Onna, Robin de Raaff, en Victor Varela. Vanaf 1968 schreef Loevendie ook concertmuziek, waaronder opera's en diverse orkestwerken. Diverse werken werden met prijzen bekroond. Loevendie heeft in diverse formaties gespeeld, waaronder het door hem opgerichte Consort, Brevis (met o.a. Egon Kracht) en het Theo Loevendie kwintet. De laatste jaren treedt Loevendie regelmatig op met zijn Ensemble Ziggurat.
Opleiding en achtergrond Hij studeerde compositie en klarinet aan het Amsterdams Conservatorium. Tot 1968 was Loevendie vrijwel uitsluitend actief op het terrein van de jazz. Hij trad met zijn eigen groepen op tijdens de belangrijkste Europese jazzfestivals. In 1979 werd Loevendie voor al zijn jazzactiviteiten de Wessel-Ilckenprijs toegekend; één van zijn jazzgrammofoonplaten was al in 1969 met een Edison bekroond.
Activiteiten Van 1970 tot 1988 was Loevendie hoofdleraar compositie aan het Rotterdams Conservatorium. Van 1988 tot 1997 doceerde hij compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en sinds 1995 aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam. Hij was centrale componist in vele festivals en gaf masterclasses over de gehele wereld.
Composities In 1968 begon Loevendie met het schrijven van concertmuziek. Sindsdien worden zijn werken over de gehele wereld uitgevoerd, zowel in festivals van hedendaagse muziek als in reguliere concerten. Begin 1985 voltooide hij de opera Naima, waarvan de première in het Holland Festival 1985 heeft plaatsgevonden. De kameropera Gassir, the Hero (1990) beleefde zijn wereldpremière in mei 1991 in Boston (V.S). Zijn opera Esmée ging tijdens het Holland Festival 1995 in première en werd uitgevoerd in Berlijn. In 1997 werd in Bielefeld (Duitsland) een nieuwe productie van deze opera op de planken gezet. In het Holland Festival 2001 ging zijn kameropera Johnny & Jones in première. Deze productie werd in 2003 in Dresden herhaald. Tot zijn orkestwerken behoren een Pianoconcert (1995), een Vioolconcert (1998), een Klarinetconcert (2001) en Seyir (2002) voor 25 westerse en niet-westerse instrumenten (première op de Berliner Festspiele 2002). Begin 2003 richtte Loevendie het ensemble Ziggurat op, een combinatie van westerse en niet-westerse instrumenten. Hij schreef sindsdien vele composities voor deze bezetting.
composities voor strijkers
*Vioolconcert (1998)
*Voor het vioolonderricht schreef Loevendie een bundel genaamd "The young violinist" bestaande uit een drietal stukken. De titels van de drie stukken zijn: 'Shuffle', 'Blues' en 'Aksak'.
*Dance (1986) voor viool solo (geschreven voor de Nederlandese violiste Vera Beths)
|
|
Erik Lotichius Erik Lotichius Erik Lotichius werd op 24 september 1929 geboren.
Opleiding Na zijn eindexamen gymnasium B in Eindhoven studeerde hij aan het Amsterdams Conservatorium piano. Compositie en muziektheorie studeerde Lotichius aan hetzelfde instituut bij de componist Ernest W. Mulder bij wie ook Theo Loevendie studeerde
Activiteiten Erik Lotichius was hoofdleraar aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam, waar hij les gaf in de vakken contrapunt, harmonie, analyse en arrangeren. Tevens schreef hij een roman over zijn jeugd Eindhoven 1944 en voor kinderen Roos en Roos ontdekt de wereld.
Composities Hij componeerde in diverse stijlen, zowel 'licht' als 'zwaar'. Het zogenaamde lichte werk omvat, naast de musical Eline Vere, vele songs voor zangstem, piano en saxofoon op teksten van onder meer Shakespeare, Brecht, Prévert, Villon, welke hij met zijn trio Metamorfose regelmatig uitvoerde op lunch-, koffie- en avondvullende concerten. Zo waren er uitvoeringen in de kleine zaal van het Concertgebouw in Amsterdam, de Doelen in Rotterdam en Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht. Het zogenaamde zware werk omvat diverse pianoconcerten, saxofoonconcerten, een Symfonie, Concerto Leggiero voor piano en blaasinstrumenten, Variaties voor orkest op een thema van Duke Ellington, Concerto grosso voor fanfare, en kamermuziek: Sonate voor altvioolsolo, Sonate voor altsaxofoonsolo, twee kwintetten voor blazers, Sonate voor tuba en piano, de Symfonietta for strings en een Saxofoonkwartet. |
|
Martin LürsenMartinus Joannes (Martin) Lürsen (1893-1952) werd geboren in Wormerveer. Hij was docent aan de muziekschool van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst in Haarlem. Vanaf 1937 was hij verbonden aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 1945 won hij Teylers muzikale prijsvraag met zijn Modi Antichi, Musiche Nuove, een verzameling composities in de tien toongeslachten van de derde graad die gespeeld moesten kunnen worden op het Euler-orgel in Haarlem. Bij de prijsuitreiking werden de composities gespeeld door een strijktrio en in 1946 door Radio Herrijzend Nederland uitgezonden. Ze zijn in 1947 met uitgebreide toelichting uitgegeven door Teyler's Tweede Genootschap. Lürsen schreef ook o.m. koorwerken en liederen. Zijn boek Grondslagen van de muziektheorie bevat hoofdstukken over toonstelsels, stemmingen en akoestiek en is al decennia lang leidraad voor talloze muziekstudenten. Adriaan Fokker schreef ter nagedachtenis aan hem en Willem Pijper een bundel solfège-oefeningen: Oor en Stem.
Literatuur
*Lürsen, Martinus J. - Grondslagen van de muziektheorie. Servire B.V., Katwijk aan Zee, 1944-1985. 10e druk, Panta Rhei, 1995, 262 pagina's. *Lürsen, Martinus J. - Modi Antichi, Musiche Nuove. Een verzameling composities in de tien toongeslachten van den derden graad. De erven F. Bohn N.V., Haarlem, 1947. (Verhandelingen uitgegeven door Teyler's Tweede Genootschap, Nieuwe Reeks, 13) *Lürsen, Martinus J. - Ontwikkeling van het muzikale gehoor (Albersen & Co.) |
|
Rudolf Mengelberg links op de foto Rudolf Mengelberg met achterneef Willem bij de Chasa Mengelberg te Zwitzerland Curt Rudolf Mengelberg (Krefeld, 1 februari 1892 - Monte Carlo, 13 oktober 1959) was een Nederlands componist en musicoloog. De dirigent Willem Mengelberg was een achterneef van hem. Curt Rudolf Mengelberg, geboren als zoon van de advocaat Justizrat Heinrich Mengelberg, studeerde aanvankelijk rechten en daarna muziekwetenschappen in Genève, München, Bonn en Leipzig. Hij had les van onder meer Jan Blaha, Hugo Riemann (muziekgeschiedenis en muziektheorie) en Otto Neitzel (piano). In 1915 promoveerde hij in Leipzig op een proefschrift over de Italiaanse componist Giovanni Alberto Ristori. Daarna ging hij in Amsterdam compositie studeren bij Cornelis Dopper en zijn oom Willem Mengelberg.
Activiteiten Vanaf 1917 werkte Mengelberg in het Concertgebouw in Amsterdam, waar hij in 1925 artistiek leider werd en in 1935 algemeen directeur van de N.V. het Concertgebouw. Mengelberg organiseerde het Mahler-feest in 1920 ter gelegenheid van het 25-jarig dirigeerjubileum van zijn achterneef Willem. Hij stelde toen het Mahler-feestboek samen. In 1945 werd zijn houding in oorlogstijd als te passief beoordeeld en werd hij van zijn functie ontheven. In haar uitspraak van 28 januari 1947 van de Centrale Ereraad werd hij echter gerehabiliteerd en in functie hersteld. Daarbij verklaarde de raad met nadruk dat de pro-Nederlandse en antinationaal-socialistische gezindheid van Mengelberg niet in twijfel kan worden getrokken. Na een reorganisatie waarbij Het Concertgebouw N.V. en het Concertgebouworkest organisatorisch gescheiden werden nam hij in 1955 ontslag. Daarna vestigde hij zich met zijn tweede echtgenote Henriëtte Holdert in Beausoleil nabij Monte Carlo. Daar stierf hij in 1959.
Composities Mengelberg begon al heel jong met componeren. Zijn eerste werken waren liederen en kamermuziek. Hij bleef veel schrijven met zang, meestal met orkest, later vooral in zijn geestelijke werken, zoals het Requiem (1924), Missa pro Pace (1932) en Stabat Mater (1941).
Werkenlijst
Symfonische elegie, Scherzo sinfonico (première 7 januari 1926 o.l.v. Pierre Monteux), Symfonische variatie voor cello en orkest (première 20 november 1927 o.l.v. Pierre Monteux) Weinlese, cantate voor tenor, koor en orkest (première 22 maart 1930 o.l.v. Willem Mengelberg), Vioolconcert (première 11 februari 1931 o.l.v. Pierre Monteux), Missa pro pace (première 17 december 1932 o.l.v. Willem Mengelberg en nadien herhaaldelijk uitgevoerd o.l.v. Piet van Egmond), Salve Regina (première 15 december 1934 o.l.v. Willem Mengelberg), Hymne op Amstelredam (première 9 mei 1935 o.l.v. Willem Mengelberg), Stabat Mater (première 23 januari 1941 o.l.v. Eduard van Beinum), Magnificat (première 1 februari 1942 o.l.v. Eduard van Beinum), Ballade van de boer (première 24 januari 1943 o.l.v. Jan Koetsier), Capriccio voor piano en orkest, Concertino voor fluit en orkest, Victimae Pascali Laudes Requiem Adoro te Antiphona de morte, ca. 100 liederen
Publicaties Mahler-feestboek (1920), Gustav Mahler, biografie (1923), Holland als kulturelle Einheit, (1928), vertaald als Nederland, spiegel ener beschaving (1929) Vijftig jaar Concertgebouw (1938), Muziek, Spiegel des Tijds (1948)
Prijzen en onderscheidingen Mengelberg ontving de prijs van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan, voor zijn compositie Weinlese. Daarnaast was hij Officier in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in het Legioen van Eer, drager van de zilveren medaille der Stad Amsterdam en ontving hij de gouden medaille van het Concertgebouw.
Trivia De eerste echtgenote van Rudolf Mengelberg, Nora Wubbe, was een volle nicht van Mathilde Wubbe, de echtgenote van Willem Mengelberg. De eerste keer dat zij elkaar troffen was tijdens een diner met Willem Mengelberg, waar ook Igor Stravinsky aanwezig was.
Bronnen en externe links
*Pagina Rudolf Mengelberg op de site van Donemus
*Artikel Rudolf Mengelberg in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1960
*Inventarisatie composities Rudolf Mengelberg in het Nederlands Muziekinstituut |
|
Paul Baudouin Michel Paul Baudouin Michel Paul Baudouin Michel werd geboren te Haine-St-Pierre in 1930. Na de oude humaniora volgde hij volledige muziekstudies aan het Koninklijk Conservatorium te Mons, waar hij ook een bekwaamheidsattest voor het muziekonderwijs behaalde. Daarna verbleef hij gedurende drie jaar aan de Koninklijke Muziekkapel Koningin Elisabeth, waar hij compositie studeerde bij Jean Absil. Hij behaalde er in 1962 het diploma van 'Gegradueerde van de Koninklijke Muziekkapel Koningin Elisabeth'. Hij studeerde eveneens orkestdirectie aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel en aan de Zomeracademie te Nice. Na zich actief te hebben bezig gehouden met Jeugd en Muziek en Musique Vivante in Mons, was hij gedurende 32 jaar directeur van de Muziekacademie te Woluwe-St-Lambert, waar hij ook harmonie en muziekgeschiedenis onderwees. Hij was professor compositie aan de Koninklijke Conservatoria van Mons en Brussel.
Momenteel is hij professor muziekanalyse aan de Koninklijke Muziekkapel Koningin Elisabeth. Sinds 1997 is hij ook lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Vermeldenswaard zijn bovendien zijn activiteiten als spreker op voordrachten over nieuwe muziek.
In enkele jaren tijd behaalde Paul-Baudouin Michel talrijke prijzen, waaronder de Prijs Emile Doehaerd, toegekend door het CeBeDeM en vier maal de compositieprijs voor het opgelegd werk van de tweede schiftingsproef van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België voor viool in 1967 en 1993, voor piano in 1972 en 1991. Verder nog de internationale prijs voor radiowerk Paul Gilson, de Camille Huysmansprijs, tweemaal de prijs van de Koninklijke Academie, de Ernest Bloch prijs, de prijs Créamuse en tenslotte de speciale prijs van de stad Genève voor zijn kameropera-bouffa Orphée abymé.
Tot 1963 heeft Paul-Baudouin Michel een aantal werken geschreven die als atonaal beschouwd kunnen worden, maar die getuigen van een sterke thematiek en zelfs een zekere melodieusheid. Na verschillende verblijven in het buitenland, met vooral de Ferienkurse te Darmstadt waar hij de kans had de grote namen van de nieuwe muziek te ontmoeten en hun analysecursussen te volgen, was hij aanvankelijk geïnteresseerd in de seriële muziek, waarbij de klassieke vormen duidelijk verlaten werden. Van daaruit was het eenvoudig een stap verder te zetten naar de nieuwere structuren van de muziek, zoals open of mobiele vormen, waarin de vorm of het parcours verandert bij iedere uitvoering. Dit gebeurt bij elk werk volgens een verschillende procedure en is afhankelijk van de wil van de uitvoerder die bij het proces betrokken wordt. Wanneer bij gelegenheid een bepaald toeval geduld wordt in de opeenstapeling van bepaalde muzikale cellen, gaat het nochtans niet om "aleatorische" muziek, maar wel om een zekere muzikale heuristiek.
De belangstelling van de componist gaat ook vaak uit naar de verrijking van de klankkleur. Hij bekomt een diversiteit van instrumentale timbres door op een nieuwe manier klanken voort te brengen. Dit benadrukt zijn interesse voor elektro-akoestische muziek (Le Graal gras, gerealiseerd in het Centre de Recherche musicale de Wallonië). Een groot deel van het oeuvre van Paul-Baudouin Michel getuigt van een grote zorg om de vernieuwing van gedachte en vorm. Zijn muziek wil juist in evenwicht zijn tussen verbeelding-instinct-gevoeligheid enerzijds en intelligentie-gedachte-constructie anderzijds. Niettegenstaande zijn gerichtheid op onderzoek en ervaring, maar gezien zijn pedagogische functies, heeft Paul-Baudouin Michel nochtans niet geaarzeld technisch eenvoudige en didactische werken te schrijven: Piano mon ami, D'une aventure à l'autre, Vingt doigts pour un carnaval.
Anderzijds zoekt de componist soms een filosofische (Le Feu et le Monde op een tekst van Teilhard de Chardin), sociale (La Crétinisation), psycho-politieke (in de opera Jeanne la Folle wordt het personage vooral beschouwd als een slachtoffer van de 'raison d'état') of humanistische inhoud (Ecce Homo is gebaseerd op alle Latijnse woorden die van toepassing zijn op de menselijke persoon).
Composities voor strijkers 2007: Atomes crochus voor klarinet en strijkkwartet
2004: Trio à cordes viool, altviool, cello 2003: Trio à clavier Trafic ex-Pastorale
2000: Mandorle voor cellokwartet
1997: Epithétisme vor strijkkwintet en hoorn
1996: Entrez! voor cello en harp
1996: Pianokwartet
1995: Quintette à clavier voor 2 violen, altviool, cello en piano
1994: Résurgence voor strijkorkest
1993: Viaduc voor strijkkwartet
1992: Concerto memoria voor viool en orkest
1992: Concerto memoria voor viool en piano 1992: Alternanza voor viool en piano
1985: Poème voor cello en piano
1979: Trois sur quatre voor fluit, cello en piano
1978: Cinq minerais voor 2 cello's 1976: Ballade-jeu voor viool en piano
1976: Violonance voor viool solo met of zonder magnetofoonband
1976: Mystère-jeu voor altviool en piano 1976: Cantilène - jeu voor cello en piano
1972: Systoles-diastoles voor Sopraan, metaalslagwerk, strijktrio en piano
1971: Toreutique II voor fluit, harpo, geprepareerde piano, (ook celesta), viool, cello en slagwerkers 1969: Délitation II voor strijkkwartet en magnetofoonband 1967: Oscillonance voor 2 violen en piano
1965: Quadrance voor strijkkwartet 1962: Toreutique I voor viool, klarinet, piano
1962: Sérénade concertante voor viool en piano 1961: Quatuor à cordes voor 2 violen, altviool en cello
1960: Trilocation voor cello solo 1960: Sonate voor viool en piano
strijkkwartet en 2 slagwerkers |
|
Jan Mul Hier op de foto staand: Gotfried Bomans en zitend aan de piano Jan Mul Jan Mul (Haarlem, 20 september 1911 - 30 december 1971) was een Nederlandse componist van voornamelijk kerkmuziek. Maar het bekendst onder het grote publiek is hij zonder twijfel door zijn bijdrage aan de beroemde film Fanfare van Bert Haanstra. De dubbelmars uit de film is als muziekstuk uitgebracht onder de naam 'Fanfare in Es' en klinkt menigeen bekend in de oren.
Na zijn studie aan het Amsterdams Conservatorium bij Sem Dresden was Mul jarenlang verbonden als kerkorganist aan de rooms-katholieke Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen in Overveen. Daar begeleidde hij op Kerstavond 1943 het koor bij de eerste uitvoering van het kerstliedje Midden in de Winternacht waarvoor zijn vriend Harry Prenen de tekst had bezorgd en dat inmiddels behoort tot het vaste kerstrepertoire.
Ook schreef Mul ooit de muziek van een muzikale opera in twee bedrijven, waarvan het libretto door Godfried Bomans was geschreven, gebaseerd op diens detective 'De avonturen van Bill Clifford' (1948). De partituur van Bill Clifford, die lange tijd zoek was, bevindt zich tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het muziekstuk is slechts eenmaal keer opgevoerd en wel in 1964 ter gelegenheid van de opening van de Technische Hogeschool Twente. De reacties in de pers liepen toen sterk uiteen, van 'een ongekend geestloos product, bepaald geen nieuwe perspectieven voor een eigen Nederlandse operacultuur' tot 'het werk bevat zoveel muzikale spiritualiteit, gevat in rake ritmische, harmonische trouvailles, dat het zonder meer tot de beste operawerken behoort, die ooit in ons land geschreven zijn'.
Naast zijn compositie- en instrumentatiewerk was Mul muziekredacteur van de Volkskrant. Mul en zijn vrienden Godfried Bomans en Harry Prenen werden op de redactie van deze krant aangeduid als 'de Haarlemse School'. |
|
Ernest Willem Mulder Ernest Willem Mulder Ernest Willem Mulder, geboren op 21 juli 1898 te Amsterdam, groeide op in een tamelijk welvarend gezin met een brede culturele belangstelling. Zijn vader, die een verzekerings-bedrijf had, onderhield vriendschappelijke contacten met kunstenaars, zoals de schrijver Arthur van Schendel en de schilder Jan Toorop. Het boek, Het fregatschip Johanna Maria is door Arthur van Schendel vernoemd naar de moeder van Ernest Willem. Na eerst voor- bestemd te zijn tot een zakelijke carrière, via de opleiding aan de Handelsschool te Amsterdam, bleek Ernest Willem beter tot zijn recht te komen op het Conservatorium, waar hij gedurende het jaar 1914-1915 instroomde, in het lopende lesjaar. Zijn eerste pianolesboek dateert van 1909, toen hij 11 jaar oud was. In 1914 schreef Ernest (Erry) zijn eerste fluitsonate voor piano en fluit, op een leeftijd van 16 jaar. Op het conservatorium kreeg hij les van Ulfert Schulz (piano) en Bernard Zweers (compositie en muziektheorie). Deze laatste, toen reeds zeer bekende Nederlandse componist, is gedurende zijn hele leven, zijn grote voorbeeld geweest. Ernest Willem werd als zeer veelbelovend beschouwd. Na zijn studie werd hij in eerste instantie in 1921, op voorspraak van Bernard Zweers, dirigent van het Toonkunstkoor te Bussum, waar hij zeer succesvol was en waar hij spoedig zijn eigen Toonkunstorkest oprichtte, dit om zijn koor te kunnen begeleiden. Hij gebruikte dit platform uiteraard ook voor de uitvoering van zijn eigen composities. |
|
Herman Mulder Mulder, rechts naast zijn neef, de schrijver Simon Vestdijk in de Kaapse bossen. Herman Mulder (Amsterdam, 12 december 1894 - aldaar, 28 april 1989). Hij was een volle neef van de schrijver Simon Vestdijk.
Opleiding
In Amsterdam bezocht Mulder de HBS en het Conservatorium aldaar waar hij solozang studeerde bij Hendrik van Oort, harmonieleer bij Anton Tierie en Sem Dresden en piano bij J. de Pauw en Karel de Jong. Na zijn conservatoriumtijd studeerde hij bij Jacoba Dresden Dhont. Als componist was hij autodidact.
Activiteiten
Herman Mulder is enige jaren werkzaam geweest als concertzanger. Daarnaast was hij verbonden als leraar solozang aan de Volksmuziekschool te Amsterdam. Vervolgens was hij werkzaam als leraar solozang en muziektheorie.
Composities
Hij componeerde een uitgebreid oeuvre voor diverse bezettingen, waaronder 14 symfonieën, pianoconcerten, vele liederen en kamermuziek.
Composities voor strijkers
Sonate voor altviool en piano op. 115
Prijzen
Zijn Negende Strijkkwartet werd in 1956 bekroond met de derde prijs van het Concours Quatuor in Luik. Voor de Vierde Symfonie ontving hij een prijs tijdens het Koningin Elizabeth Concours 1961 te Brussel.
|
|
Leon Orthel Leon Orthel Léon Orthel (Rosendaal, 4 oktober 1905 - Den Haag, 6 september 1985) was een Nederlandse componist, pianist en bovenal een pedagoog.
Opleiding Reeds op zestienjarige leeftijd studeerde hij compositie bij Johan Wagenaar.
Hij woonde na zijn schooltijd in Den Haag waar hij in 1921 leerling werd van het Koninklijk Conservatorium. Hij studeerde viool bij André Spoor, piano bij Van Beijnum en compositie bij Johan Wagenaar. Na een jaar (1928-1929) compositie aan de Berlijnse Hochschule gestudeerd te hebben bij Paul Juon en Curt Sachs, keerde hij terug naar zijn vroegere leermeester Wagenaar (1929-1930). In de jaren 1934 tot 1938 heeft hij doelbewust gewerkt aan de vernieuwing van zijn idioom daar hij zich in de pluri- en atonale klankwereld niet thuisvoelde; het bleef echter bij schetsen en ontwerpen. Na deze jaren van experiment vond hij tenslotte zijn eigen stijl die niet bij een bepaalde school valt onder te brengen. Orthel was pianist, componist en vooral pedagoog. In de begintijd trad hij meermalen op als pianist, met orkest en in kamermuziekbezettingen. Later trad hij ook op als begeleider met zijn eigen liederen.
Activiteiten
Van 1941 tot 1971 was hij hoofdleraar piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Vanaf 1949 tot 1970 was hij eveneens hoofdleraar compositie aan het Amsterdams Conservatorium. Van 1947 tot 1970 was hij voorzitter van de Vakgroep Componisten der Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging en van 1957 tot 1972 tevens voorzitter van het bestuur van de Johan Wagenaarstichting.
Composities Zijn Tweede Symfonie is veelvuldig uitgevoerd. Ook zijn liederen op de gedichten van Rilke hebben de aandacht getrokken door de intensieve en subtiele declamatorische tekstbehandeling. Zijn muziek heeft grote gemoedshoedanigheden en een hartstochtelijke bewogenheid, die hij in de hand wist te houden door zijn kennis van het ambacht.
Composities voor strijkers
Eerste sonate voor violoncel en piano op. 6 in f ( 1925)
Kleine burlesque vor violoncel en piano op. 8 nr. 2 (28 jan. 1926)
Ballade voor violoncel en orkest op. 9 (voorjaar 1927)
Eerste concert voor violoncel en orkest op. 11 (voorjaar 1929) (voor zijn ouders)
Capriccio op. 19 (1939) Voor Sam Swaap
Strijkkwartet op. 50 (1964) voor Hendrik Andriessen
Kleine suite op. 79 (1977)
Tweede concert voor violoncel en orkest ( 1984)
Otto Abbozzi per flauto, violoncello e pianoforte op. 57
Sonate voor altviool en piano
Sonate voor viool en piano op. 5 (1924, bestaat alleen in manuscriptvorm en is teruggetrokken door de componist)
Sonate voor viool en piano op. 15 (1933) (geschreven voor de schilder Huub Gerritsen)
Prijzen In 1946 werd de Derde Symfonie en in 1962 de Vijfde Symfonie bekroond door het Rijk. In 1960 kreeg Orthel voor zijn Tweede Symfonie de Visser- Neerlandia Prijs. In 1974 verwierf hij de Johan-Wagenaarprijs voor zijn gehele oeuvre.
Compact discs De Tweede Symfonie verscheen in 1993 op Composers' Voice Highlights CV 26, Scherzo no. 2 in 1999 op Composers' Voice CV 77 en Kleine burleske in 2000 op Q Disc 97021. Kees Wieringa legde enkele Sonatines voor piano vast op Do records 006.
|
|
|